Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. presenteren:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für presenteren (Niederländisch) ins Schwedisch

presenteren:

presenteren Verb (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)

  1. presenteren (laten zien; tonen; vertonen)
    visa; presentera; förevisa; utställa
    • visa Verb (visar, visade, visat)
    • presentera Verb (presenterar, presenterade, presenterat)
    • förevisa Verb (förevisar, förevisade, förevisat)
    • utställa Verb (utställer, utställde, utställt)
  2. presenteren (tonen; voorleggen; laten zien; offreren; aanbieden)
    visa; sätta fram för visning
    • visa Verb (visar, visade, visat)
    • sätta fram för visning Verb (sätter fram för visning, satte fram för visning, satt fram för visning)
  3. presenteren (offreren; aanbieden)
    erbjuda; räcka fram
    • erbjuda Verb (erbjuder, erbjöd, erbjudit)
    • räcka fram Verb (räcker fram, räckte fram, räckt fram)

Konjugationen für presenteren:

o.t.t.
  1. presenteer
  2. presenteert
  3. presenteert
  4. presenteren
  5. presenteren
  6. presenteren
o.v.t.
  1. presenteerde
  2. presenteerde
  3. presenteerde
  4. presenteerden
  5. presenteerden
  6. presenteerden
v.t.t.
  1. heb gepresenteerd
  2. hebt gepresenteerd
  3. heeft gepresenteerd
  4. hebben gepresenteerd
  5. hebben gepresenteerd
  6. hebben gepresenteerd
v.v.t.
  1. had gepresenteerd
  2. had gepresenteerd
  3. had gepresenteerd
  4. hadden gepresenteerd
  5. hadden gepresenteerd
  6. hadden gepresenteerd
o.t.t.t.
  1. zal presenteren
  2. zult presenteren
  3. zal presenteren
  4. zullen presenteren
  5. zullen presenteren
  6. zullen presenteren
o.v.t.t.
  1. zou presenteren
  2. zou presenteren
  3. zou presenteren
  4. zouden presenteren
  5. zouden presenteren
  6. zouden presenteren
en verder
  1. ben gepresenteerd
  2. bent gepresenteerd
  3. is gepresenteerd
  4. zijn gepresenteerd
  5. zijn gepresenteerd
  6. zijn gepresenteerd
diversen
  1. presenteer!
  2. presenteert!
  3. gepresenteerd
  4. presenterend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für presenteren:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
visa demonstratie; laten zien; melodie; wijs
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
erbjuda aanbieden; offreren; presenteren aanbieden; bieden; indienen
förevisa laten zien; presenteren; tonen; vertonen exposeren; tentoonstellen; tonen; vertonen
presentera laten zien; presenteren; tonen; vertonen aandragen; aanvoeren; inleiden; openen
räcka fram aanbieden; offreren; presenteren
sätta fram för visning aanbieden; laten zien; offreren; presenteren; tonen; voorleggen
utställa laten zien; presenteren; tonen; vertonen blootleggen; etaleren; onthullen; ontmaskeren; tentoonstellen; tonen; uitstallen
visa aanbieden; laten zien; offreren; presenteren; tonen; vertonen; voorleggen betogen; demonstreren; etaleren; exposeren; laten zien; te voorschijn halen; tentoonstellen; tevoorschijn brengen; tevoorschijn halen; tevoorschijnhalen; tevoorschijntoveren; tonen; uitbreiden; uitstallen; vertonen; voor de dag halen; voordedaghalen; weergeven; wijzen naar
- aanbieden

Synonyms for "presenteren":


Verwandte Definitionen für "presenteren":

  1. laten weten dat hij iets kan krijgen1
    • mag ik u een sigaret presenteren?1
  2. het inleiden of leiden van een programma1
    • het journaal wordt gepresenteerd door Harmen Siezen1

Wiktionary Übersetzungen für presenteren:


Cross Translation:
FromToVia
presenteren erbjuda offer — propose
presenteren föreställa; introducera; presentera present — bring into the presence of
presenteren presentera présenter — Traductions à trier suivant le sens