Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. weggraaien:


Niederländisch

Detailübersetzungen für weggraaien (Niederländisch) ins Schwedisch

weggraaien:

weggraaien Verb (graai weg, graait weg, graaide weg, graaiden weg, weggegraaid)

  1. weggraaien (snaaien; stelen; gappen; wegpikken)
    stjäla; sno; rycka; knycka
    • stjäla Verb (stjäler, stal, stulit)
    • sno Verb (snor, snodde, snott)
    • rycka Verb (rycker, ryckte, ryckt)
    • knycka Verb (knycker, knyckte, knyckt)

Konjugationen für weggraaien:

o.t.t.
  1. graai weg
  2. graait weg
  3. graait weg
  4. graaien weg
  5. graaien weg
  6. graaien weg
o.v.t.
  1. graaide weg
  2. graaide weg
  3. graaide weg
  4. graaiden weg
  5. graaiden weg
  6. graaiden weg
v.t.t.
  1. heb weggegraaid
  2. hebt weggegraaid
  3. heeft weggegraaid
  4. hebben weggegraaid
  5. hebben weggegraaid
  6. hebben weggegraaid
v.v.t.
  1. had weggegraaid
  2. had weggegraaid
  3. had weggegraaid
  4. hadden weggegraaid
  5. hadden weggegraaid
  6. hadden weggegraaid
o.t.t.t.
  1. zal weggraaien
  2. zult weggraaien
  3. zal weggraaien
  4. zullen weggraaien
  5. zullen weggraaien
  6. zullen weggraaien
o.v.t.t.
  1. zou weggraaien
  2. zou weggraaien
  3. zou weggraaien
  4. zouden weggraaien
  5. zouden weggraaien
  6. zouden weggraaien
diversen
  1. graai weg!
  2. graait weg!
  3. weggegraaid
  4. weggraaiend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für weggraaien:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
knycka gappen; snaaien; stelen; weggraaien; wegpikken achterhouden; achteroverdrukken; gappen; inpikken; jatten; ontvreemden; pikken; stelen; verdonkeremanen; verduisteren; vervreemden; wegfutselen; wegkapen; wegpikken
rycka gappen; snaaien; stelen; weggraaien; wegpikken rukken; trekken; wegrukken; zich wringen
sno gappen; snaaien; stelen; weggraaien; wegpikken achterhouden; achteroverdrukken; gappen; inpikken; jatten; kroelen; ontvreemden; pikken; stelen; verdonkeremanen; verduisteren; vervreemden; wegfutselen; wegkapen; wegpikken
stjäla gappen; snaaien; stelen; weggraaien; wegpikken achterhouden; achteroverdrukken; afnemen; afsnoepen; benemen; gappen; inpikken; jatten; kapen; ladelichten; leegstelen; ontfutselen; ontnemen; ontstelen; ontvreemden; pikken; plunderen; roven; snaaien; stelen; toeëigenen; verdonkeremanen; verdonkeren; verduisteren; vervreemden; wegfutselen; wegkapen; wegnemen; wegpakken; wegpikken