Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. kleinkrijgen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für kleinkrijgen (Niederländisch) ins Schwedisch

kleinkrijgen:

kleinkrijgen Verb (krijg klein, krijgt klein, kreeg klein, kregen klein, klein gekregen)

  1. kleinkrijgen
    betvinga
    • betvinga Verb (betvingar, betvingade, betvingat)

Konjugationen für kleinkrijgen:

o.t.t.
  1. krijg klein
  2. krijgt klein
  3. krijgt klein
  4. krijgen klein
  5. krijgen klein
  6. krijgen klein
o.v.t.
  1. kreeg klein
  2. kreeg klein
  3. kreeg klein
  4. kregen klein
  5. kregen klein
  6. kregen klein
v.t.t.
  1. heb klein gekregen
  2. hebt klein gekregen
  3. heeft klein gekregen
  4. hebben klein gekregen
  5. hebben klein gekregen
  6. hebben klein gekregen
v.v.t.
  1. had klein gekregen
  2. had klein gekregen
  3. had klein gekregen
  4. hadden klein gekregen
  5. hadden klein gekregen
  6. hadden klein gekregen
o.t.t.t.
  1. zal kleinkrijgen
  2. zult kleinkrijgen
  3. zal kleinkrijgen
  4. zullen kleinkrijgen
  5. zullen kleinkrijgen
  6. zullen kleinkrijgen
o.v.t.t.
  1. zou kleinkrijgen
  2. zou kleinkrijgen
  3. zou kleinkrijgen
  4. zouden kleinkrijgen
  5. zouden kleinkrijgen
  6. zouden kleinkrijgen
diversen
  1. krijg klein!
  2. krijgt klein!
  3. klein gekregen
  4. klein krijgend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für kleinkrijgen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
betvinga kleinkrijgen bedwingen; beteugelen; in bedwang houden; onderdrukken; terughouden