Übersicht
Niederländisch Synonyms:   mehr Daten
  1. opvoeren:
  2. opvaren:


Niederländisch

Detailed Synonyms for opvoeren in Niederländisch

opvoeren:

opvoeren Verb (voer op, voert op, voerde op, voerden op, opgevoerd)

  1. opvoeren
    opvoeren; vergroten
    • opvoeren Verb (voer op, voert op, voerde op, voerden op, opgevoerd)
    • vergroten Verb (vergroot, vergrootte, vergrootten, vergroot)

Konjugationen für opvoeren:

o.t.t.
  1. voer op
  2. voert op
  3. voert op
  4. voeren op
  5. voeren op
  6. voeren op
o.v.t.
  1. voerde op
  2. voerde op
  3. voerde op
  4. voerden op
  5. voerden op
  6. voerden op
v.t.t.
  1. heb opgevoerd
  2. hebt opgevoerd
  3. heeft opgevoerd
  4. hebben opgevoerd
  5. hebben opgevoerd
  6. hebben opgevoerd
v.v.t.
  1. had opgevoerd
  2. had opgevoerd
  3. had opgevoerd
  4. hadden opgevoerd
  5. hadden opgevoerd
  6. hadden opgevoerd
o.t.t.t.
  1. zal opvoeren
  2. zult opvoeren
  3. zal opvoeren
  4. zullen opvoeren
  5. zullen opvoeren
  6. zullen opvoeren
o.v.t.t.
  1. zou opvoeren
  2. zou opvoeren
  3. zou opvoeren
  4. zouden opvoeren
  5. zouden opvoeren
  6. zouden opvoeren
en verder
  1. is opgevoerd
  2. zijn opgevoerd
diversen
  1. voer op!
  2. voert op!
  3. opgevoerd
  4. opvoerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

opvoeren form of opvaren:

opvaren [znw.] Nomen

  1. opvaren
    opvaren