Übersicht
Niederländisch Synonyms:   mehr Daten
  1. knor:
  2. knorren:


Niederländisch

Detailed Synonyms for knor in Niederländisch

knor:

knor [de ~ (m)] Nomen

  1. de knor
    de knor
    • knor [de ~ (m)] Nomen

Verwandte Wörter für "knor":


knorren:

knorren Verb (knor, knort, knorde, knorden, geknord)

  1. knorren
    knorrend geluid maken; knorren
  2. knorren
    snorren; zagen; knorren; ronken
    • snorren Verb (snor, snort, snorde, snorden, gesnord)
    • zagen Verb (zaag, zaagt, zaagde, zaagden, gezaagd)
    • knorren Verb (knor, knort, knorde, knorden, geknord)
    • ronken Verb (ronk, ronkt, ronkte, ronkten, geronkt)

Konjugationen für knorren:

o.t.t.
  1. knor
  2. knort
  3. knort
  4. knorren
  5. knorren
  6. knorren
o.v.t.
  1. knorde
  2. knorde
  3. knorde
  4. knorden
  5. knorden
  6. knorden
v.t.t.
  1. heb geknord
  2. hebt geknord
  3. heeft geknord
  4. hebben geknord
  5. hebben geknord
  6. hebben geknord
v.v.t.
  1. had geknord
  2. had geknord
  3. had geknord
  4. hadden geknord
  5. hadden geknord
  6. hadden geknord
o.t.t.t.
  1. zal knorren
  2. zult knorren
  3. zal knorren
  4. zullen knorren
  5. zullen knorren
  6. zullen knorren
o.v.t.t.
  1. zou knorren
  2. zou knorren
  3. zou knorren
  4. zouden knorren
  5. zouden knorren
  6. zouden knorren
diversen
  1. knor!
  2. knort!
  3. geknord
  4. knorrend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Verwandte Wörter für "knorren":