Übersicht
Niederländisch nach Französisch:   mehr Daten
  1. tuchtigen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für tuchtigen (Niederländisch) ins Französisch

tuchtigen:

tuchtigen Verb (tuchtig, tuchtigt, tuchtigde, tuchtigden, getuchtigd)

  1. tuchtigen (kastijden; geselen)
    punir; fouetter; châtier; infliger une punition
    • punir Verb (punis, punit, punissons, punissez, )
    • fouetter Verb (fouette, fouettes, fouettons, fouettez, )
    • châtier Verb (châtie, châties, châtions, châtiez, )

Konjugationen für tuchtigen:

o.t.t.
  1. tuchtig
  2. tuchtigt
  3. tuchtigt
  4. tuchtigen
  5. tuchtigen
  6. tuchtigen
o.v.t.
  1. tuchtigde
  2. tuchtigde
  3. tuchtigde
  4. tuchtigden
  5. tuchtigden
  6. tuchtigden
v.t.t.
  1. heb getuchtigd
  2. hebt getuchtigd
  3. heeft getuchtigd
  4. hebben getuchtigd
  5. hebben getuchtigd
  6. hebben getuchtigd
v.v.t.
  1. had getuchtigd
  2. had getuchtigd
  3. had getuchtigd
  4. hadden getuchtigd
  5. hadden getuchtigd
  6. hadden getuchtigd
o.t.t.t.
  1. zal tuchtigen
  2. zult tuchtigen
  3. zal tuchtigen
  4. zullen tuchtigen
  5. zullen tuchtigen
  6. zullen tuchtigen
o.v.t.t.
  1. zou tuchtigen
  2. zou tuchtigen
  3. zou tuchtigen
  4. zouden tuchtigen
  5. zouden tuchtigen
  6. zouden tuchtigen
en verder
  1. ben getuchtigd
  2. bent getuchtigd
  3. is getuchtigd
  4. zijn getuchtigd
  5. zijn getuchtigd
  6. zijn getuchtigd
diversen
  1. tuchtig!
  2. tuchtigt!
  3. getuchtigd
  4. tuchtigend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für tuchtigen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
châtier geselen; kastijden; tuchtigen aframmelen; afranselen; afrossen; afstraffen; aftuigen; in elkaar timmeren; straffen; toetakelen
fouetter geselen; kastijden; tuchtigen aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; hard slaan; hengsten; in elkaar timmeren; klutsen; meppen; slaan; snerpen; timmeren; toetakelen
infliger une punition geselen; kastijden; tuchtigen afstraffen; bestraffen; sancties treffen; straffen
punir geselen; kastijden; tuchtigen afstraffen; bestraffen; sancties treffen; straffen