Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. verbeuzelen:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für verbeuzelen (Niederländisch) ins Spanisch

verbeuzelen:

verbeuzelen Verb (verbeuzel, verbeuzelt, verbeuzelde, verbeuzelden, verbeuzeld)

  1. verbeuzelen (verknoeien; verlummelen)

Konjugationen für verbeuzelen:

o.t.t.
  1. verbeuzel
  2. verbeuzelt
  3. verbeuzelt
  4. verbeuzelen
  5. verbeuzelen
  6. verbeuzelen
o.v.t.
  1. verbeuzelde
  2. verbeuzelde
  3. verbeuzelde
  4. verbeuzelden
  5. verbeuzelden
  6. verbeuzelden
v.t.t.
  1. heb verbeuzeld
  2. hebt verbeuzeld
  3. heeft verbeuzeld
  4. hebben verbeuzeld
  5. hebben verbeuzeld
  6. hebben verbeuzeld
v.v.t.
  1. had verbeuzeld
  2. had verbeuzeld
  3. had verbeuzeld
  4. hadden verbeuzeld
  5. hadden verbeuzeld
  6. hadden verbeuzeld
o.t.t.t.
  1. zal verbeuzelen
  2. zult verbeuzelen
  3. zal verbeuzelen
  4. zullen verbeuzelen
  5. zullen verbeuzelen
  6. zullen verbeuzelen
o.v.t.t.
  1. zou verbeuzelen
  2. zou verbeuzelen
  3. zou verbeuzelen
  4. zouden verbeuzelen
  5. zouden verbeuzelen
  6. zouden verbeuzelen
diversen
  1. verbeuzel!
  2. verbeuzelt!
  3. verbeuzeld
  4. verbeuzelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für verbeuzelen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
desaprovechar verbeuzelen; verknoeien; verlummelen
malgastar verbeuzelen; verknoeien; verlummelen verboemelen; verbrassen; verdoen; verkopen; verkwanselen; verkwisten; verspillen; wegsmijten
perder el tiempo verbeuzelen; verknoeien; verlummelen verdoen; verspillen

Wiktionary Übersetzungen für verbeuzelen:

verbeuzelen
verb
  1. aan onbeduidende zaken verspillen