Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. bekommeren:
  2. User Contributed Translations for bekommeren:
    • kümmern


Niederländisch

Detailübersetzungen für bekommeren (Niederländisch) ins Deutsch

bekommeren:

bekommeren Verb (bekommer, bekommert, bekommerde, bekommerden, bekommerd)

  1. bekommeren (zich zorgen maken)
    sorgen; pflegen; versorgen; verpflegen
    • sorgen Verb (sorge, sorgst, sorgt, sorgte, sorgtet, gesorgt)
    • pflegen Verb (pflege, pflegst, pflegt, pflegte, pflegtet, gepflegt)
    • versorgen Verb (versorge, versorgst, versorgt, versorgte, versorgtet, versorgt)
    • verpflegen Verb (verpflege, verpflegst, verpflegt, verpflegte, verpflegtet, verpflegt)

Konjugationen für bekommeren:

o.t.t.
  1. bekommer
  2. bekommert
  3. bekommert
  4. bekommeren
  5. bekommeren
  6. bekommeren
o.v.t.
  1. bekommerde
  2. bekommerde
  3. bekommerde
  4. bekommerden
  5. bekommerden
  6. bekommerden
v.t.t.
  1. heb bekommerd
  2. hebt bekommerd
  3. heeft bekommerd
  4. hebben bekommerd
  5. hebben bekommerd
  6. hebben bekommerd
v.v.t.
  1. had bekommerd
  2. had bekommerd
  3. had bekommerd
  4. hadden bekommerd
  5. hadden bekommerd
  6. hadden bekommerd
o.t.t.t.
  1. zal bekommeren
  2. zult bekommeren
  3. zal bekommeren
  4. zullen bekommeren
  5. zullen bekommeren
  6. zullen bekommeren
o.v.t.t.
  1. zou bekommeren
  2. zou bekommeren
  3. zou bekommeren
  4. zouden bekommeren
  5. zouden bekommeren
  6. zouden bekommeren
diversen
  1. bekommer!
  2. bekommert!
  3. bekommerd
  4. bekommerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für bekommeren:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
pflegen bekommeren; zich zorgen maken begaan; per ongeluk doen; plegen; verplegen; verzorgen; zorgen voor; zorgen voor iemand; zorgen voor iets
sorgen bekommeren; zich zorgen maken beangstigen; benauwen; bezorgd zijn; leiden tot iets; verzorgen; zorg dragen; zorgen; zorgen voor; zorgen voor iets
verpflegen bekommeren; zich zorgen maken azen; eten geven; prooizoeken; spijzigen; te eten geven; verplegen; verzorgen; voeden; voederen; voeren; zorgen voor; zorgen voor iets
versorgen bekommeren; zich zorgen maken behandelen; door zorgen bederven; financieel steunen; leiden tot iets; onderhouden; verplegen; verzorgen; zorgen; zorgen voor; zorgen voor iemand; zorgen voor iets