Niederländisch
Detailübersetzungen für versieren von Niederländische ins Französisch
versieren:
-
versieren (schotels garneren; afwerken; garneren; opmaken; opsmukken)
-
versieren (versieringen aanbrengen; decoreren; aankleden)
décorer; embellir; enjoliver; orner; agrémenter-
décorer Verb
-
embellir Verb
-
enjoliver Verb
-
orner Verb
-
agrémenter Verb
-
Conjugations for versieren:
o.t.t.
- versier
- versiert
- versiert
- versieren
- versieren
- versieren
o.v.t.
- versierde
- versierde
- versierde
- versierden
- versierden
- versierden
v.t.t.
- heb versierd
- hebt versierd
- heeft versierd
- hebben versierd
- hebben versierd
- hebben versierd
v.v.t.
- had versierd
- had versierd
- had versierd
- hadden versierd
- hadden versierd
- hadden versierd
o.t.t.t.
- zal versieren
- zult versieren
- zal versieren
- zullen versieren
- zullen versieren
- zullen versieren
o.v.t.t.
- zou versieren
- zou versieren
- zou versieren
- zouden versieren
- zouden versieren
- zouden versieren
diversen
- versier!
- versiert!
- versierd
- versierend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
versieren (optuigen)
-
versieren (versieringen aanbrengen; decoreren; opsmukken; opsieren)
-
versieren (opluisteren; tooien)
Related Definitions for "versieren":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: