Inhalt
Niederländisch nach Französisch: mehr Daten
- inzetten:
-
inzet:
- objectif; but; dévouement; intention; tentative; destination; enjeu; effort; cible; application; mise à prix; dessein; mise; consécration; utilisation; usage; emploi; ardeur; assiduité; sollicitude; fougue; passion; caractère passionné; ambition; attachement; début; commencement; ouverture; départ; démarrage; amorce; origine; décollage
Niederländisch
Detailübersetzungen für inzetten von Niederländische ins Französisch
inzetten:
-
inzetten (speelgeld inzetten)
-
inzetten (verwedden; wedden)
-
inzetten (inzet tonen)
-
inzetten (op gang komen; beginnen; intreden)
commencer; se mettre en mouvement; démarrer; se mettre en marche-
commencer Verb
-
démarrer Verb
-
se mettre en marche Verb
-
Conjugations for inzetten:
o.t.t.
- zet in
- zet in
- zet in
- zetten in
- zetten in
- zetten in
o.v.t.
- zette in
- zette in
- zette in
- zetten in
- zetten in
- zetten in
v.t.t.
- heb ingezet
- hebt ingezet
- heeft ingezet
- hebben ingezet
- hebben ingezet
- hebben ingezet
v.v.t.
- had ingezet
- had ingezet
- had ingezet
- hadden ingezet
- hadden ingezet
- hadden ingezet
o.t.t.t.
- zal inzetten
- zult inzetten
- zal inzetten
- zullen inzetten
- zullen inzetten
- zullen inzetten
o.v.t.t.
- zou inzetten
- zou inzetten
- zou inzetten
- zouden inzetten
- zouden inzetten
- zouden inzetten
en verder
- ben ingezet
- bent ingezet
- is ingezet
- zijn ingezet
- zijn ingezet
- zijn ingezet
diversen
- zet in!
- zet in!
- ingezet
- inzettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
de inzetten (geld inzetten)
-
de inzetten
-
het inzetten (aanheffen)
Related Words for "inzetten":
inzetten form of inzet:
-
de inzet (doeleinde; doel; streven)
l'objectif; le but; le dévouement; l'intention; la tentative; la destination; l'enjeu; l'effort; la cible; l'application; la mise à prix; le dessein; la mise; la consécration -
de inzet (aanwending; toepassing; gebruik)
-
de inzet (speelgeld; poule; pot)
-
de inzet (toewijding; devotie; overgave; toegewijdheid; trouw; zorgzaamheid; genegenheid; ijver)
le dévouement; l'ardeur; la consécration; l'assiduité; l'application; la sollicitude; la fougue; la passion; le caractère passionné; l'ambition; l'attachement -
de inzet (aanvang; begin; opening; start)
Related Words for "inzet":
Related Definitions for "inzet":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: