Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für gebruiken von Niederländische ins Französisch

gebruiken:

gebruiken Verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)

  1. gebruiken (benutten; toepassen; aanwenden; aangrijpen)
  2. gebruiken (gebruik maken van; aanwenden; benutten; utiliseren)
  3. gebruiken (bezigen; hanteren; gebruik maken van)
  4. gebruiken (bezigen; toepassen; aanwenden)
  5. gebruiken (nuttigen; eten; consumeren; )
  6. gebruiken (consumeren; verbruiken)
  7. gebruiken (drugs consumeren)
  8. gebruiken (drugs gebruiken; drugs spuiten)
  9. gebruiken
  10. gebruiken

Conjugations for gebruiken:

o.t.t.
  1. gebruik
  2. gebruikt
  3. gebruikt
  4. gebruiken
  5. gebruiken
  6. gebruiken
o.v.t.
  1. gebruikte
  2. gebruikte
  3. gebruikte
  4. gebruikten
  5. gebruikten
  6. gebruikten
v.t.t.
  1. heb gebruikt
  2. hebt gebruikt
  3. heeft gebruikt
  4. hebben gebruikt
  5. hebben gebruikt
  6. hebben gebruikt
v.v.t.
  1. had gebruikt
  2. had gebruikt
  3. had gebruikt
  4. hadden gebruikt
  5. hadden gebruikt
  6. hadden gebruikt
o.t.t.t.
  1. zal gebruiken
  2. zult gebruiken
  3. zal gebruiken
  4. zullen gebruiken
  5. zullen gebruiken
  6. zullen gebruiken
o.v.t.t.
  1. zou gebruiken
  2. zou gebruiken
  3. zou gebruiken
  4. zouden gebruiken
  5. zouden gebruiken
  6. zouden gebruiken
en verder
  1. ben gebruikt
  2. bent gebruikt
  3. is gebruikt
  4. zijn gebruikt
  5. zijn gebruikt
  6. zijn gebruikt
diversen
  1. gebruik!
  2. gebruikt!
  3. gebruikt
  4. gebruikend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

gebruiken [de ~] Nomen, Plural

  1. de gebruiken (gewoontes; usances; tradities; zeden)
    la habitudes; la moeurs; la coutumes

Related Words for "gebruiken":


Synonyms for "gebruiken":


Related Definitions for "gebruiken":

  1. er zo mee omgaan dat je er wat aan hebt1
    • hij gebruikt onze stofzuiger1
  2. eten of drinken1
    • in dit restaurant gebruikten we de maaltijd1
  3. hem iets laten doen terwijl dat niet in zijn belang is1
    • hij laat zich door die vrienden gebruiken1

gebruik:

gebruik [het ~] Nomen

  1. het gebruik (aanwending; toepassing; inzet)
    l'application; l'utilisation; l'usage; la mise à prix; la mise; l'emploi
  2. het gebruik (usance; gewoonte; traditie)
    la habitude; l'usage; l'emploi; la coutume; la tradition
  3. het gebruik (toepassing; aanwending; aanwenden)
    l'application; l'usage; l'utilisation; l'emploi
  4. het gebruik (hantering; aanwending; behandeling)
    l'application; l'usage; l'emploi
  5. het gebruik
    l'utilisation

Related Words for "gebruik":


Synonyms for "gebruik":


Related Definitions for "gebruik":

  1. wat men gewoonlijk doet of moet1
    • ken je de gewoonten en gebruiken van dat land?1
  2. het ergens voor benutten1
    • deze koffie is voor eigen gebruik1

Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for gebruiken




Remove Ads