Niederländisch

Detailübersetzungen für aanrekenen (Niederländisch) ins Spanisch

aanrekenen:

Konjugationen für aanrekenen:

o.t.t.
  1. reken aan
  2. rekent aan
  3. rekent aan
  4. rekenen aan
  5. rekenen aan
  6. rekenen aan
o.v.t.
  1. rekende aan
  2. rekende aan
  3. rekende aan
  4. rekenden aan
  5. rekenden aan
  6. rekenden aan
v.t.t.
  1. heb aangerekend
  2. hebt aangerekend
  3. heeft aangerekend
  4. hebben aangerekend
  5. hebben aangerekend
  6. hebben aangerekend
v.v.t.
  1. had aangerekend
  2. had aangerekend
  3. had aangerekend
  4. hadden aangerekend
  5. hadden aangerekend
  6. hadden aangerekend
o.t.t.t.
  1. zal aanrekenen
  2. zult aanrekenen
  3. zal aanrekenen
  4. zullen aanrekenen
  5. zullen aanrekenen
  6. zullen aanrekenen
o.v.t.t.
  1. zou aanrekenen
  2. zou aanrekenen
  3. zou aanrekenen
  4. zouden aanrekenen
  5. zouden aanrekenen
  6. zouden aanrekenen
diversen
  1. reken aan!
  2. rekent aan!
  3. aangerekend
  4. aanrekende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für aanrekenen:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
amanecer aanbreken van de dag; dageraad; morgenschemering; morgenstond; ochtendgloren; ochtendstond; vroege ochtenduren; zonsopgang
clarear lichter worden; oplichten
desaparecer afsterven; tenietgaan; uitvallen; wegvallen
eliminar doden; van kant maken; wegruimen
enjugar afrekening; vereffening; verrekening
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
achacar aanrekenen
amanecer aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden aanbreken van de dag; aanmanen; aanmanen tot een verplichting; aansteken; aanstrijken; afbakenen; afpalen; afzetten; begrenzen; dagen; doen ontvlammen; flikkeren; fonkelen; glanzen; gloren; krieken; licht worden; lichten; lichter worden van kleur; manen; neppen; omlijnen; omranden; oplichten; schijnen; sommeren; sprankelen; stralen; twinkelen; verhuizen; verkassen; verneuken
amonestar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
arrebatar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden achteroverdrukken; doordrijven; gappen; geweld gebruiken; inpikken; jatten; ontvreemden; ontworstelen; ontwringen; pikken; stelen; verdonkeremanen; verhuizen; verkassen; vervreemden; wegkapen; wegpikken; zich door te worstelen bevrijden
atribuir aanrekenen gunnen; iets toekennen; toebedelen; toekennen; toeschrijven; toewijzen
borrar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden afschrijven; diskwalificeren; doorstrepen; iemand schrappen; in elkaar overlopen; royeren; tanen; te niet doen; uitgommen; uitroeien; uitschrijven; uitsluiten; uitvegen; uitvlakken; uitwissen; verbleken; vervagen; vervloeien; vlakken; wegvagen; wegvegen; wissen
clarear aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden afbakenen; afpalen; afzetten; begrenzen; flikkeren; fonkelen; glanzen; lichter worden van kleur; neppen; omlijnen; oplichten; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen
condenar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden berechten; verdoemen; verketteren; veroordelen; veroordelen tot de hel; vervloeken; vervolgen; verwensen; vonnissen
culpar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden aanklagen; beschuldigen; betichten; chargeren; incrimineren; overdrijven; ten laste leggen; tenlaste leggen; verdacht maken; verdenken
desaparecer aanrekenen; aanwrijven; iemand iets verwijten; kwalijk nemen achteruitgaan; afnemen; bezwijken; declineren; doodgaan; doorleven; doorstaan; heengaan; inslapen; minder worden; missen; omkomen; overlijden; sneuvelen; sterven; vallen; verdragen; verduren; verdwijnen; verhuizen; verkassen; vermissen; verteren; wegvallen
echar la culpa aanrekenen
eliminar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden afmaken; afschrijven; diskwalificeren; doorhalen; koudmaken; liquideren; royeren; schrappen; te niet doen; uit de weg ruimen; uitroeien; uitsluiten; verwijderen
enjugar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden afdrogen; afspoelen; drogen; droogmaken
escandalizar aanrekenen; aanwrijven; iemand iets verwijten; kwalijk nemen aanstoot geven; blameren; choqueren; schandaliseren; schokken; shockeren
hacer ver aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden
iluminarse aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden flikkeren; fonkelen; glanzen; opklaren; schijnen; sprankelen; stralen; twinkelen; wolken verdwijnen
librarse de aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden afschudden
notar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden aankijken; aanmerken; aanschouwen; bekijken; bemerken; berispen; gadeslaan; gewaarworden; horen; kijken; merken; observeren; onderscheiden; ontwaren; opmerken; signaleren; staren; terechtwijzen; toeschouwen; turen; vermanen; voelen; waarnemen; zien
reconvenir aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden berispen; manen; terechtwijzen; vermanen; waarschuwen
reprender aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden aanmerken; berispen; hekelen; manen; terechtwijzen; uitbrander geven; vermanen; waarschuwen
reprochar aanrekenen; aanwrijven; iemand iets verwijten; kwalijk nemen aanwrijven; beschuldigen; blameren; hardvallen; iemand iets aanrekenen; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; laken; loskrijgen; losmaken; lostornen; nadragen; onvriendelijk bejegenen; tornen; uithalen; uittrekken; voor de voeten gooien
sacar aanrekenen; aanwrijven; berispen; beschuldigen; blameren; gispen; laken; nadragen; verwijten; voor de voeten gooien; voorhouden aftappen; afzetten; eruit nemen; extraheren; hozen; kennis opdoen; laten zien; leeghozen; leren; lichten; loshalen; loskrijgen; losmaken; lostornen; meekrijgen; meepikken; naar boven trekken; naar buiten halen; nijpen; omhoog rukken; omhoog trekken; oppikken; opspelen; opspelen kaartspel; opsteken; pop-bewerking uitvoeren; tappen; te voorschijn halen; tevoorschijn brengen; tevoorschijn halen; tevoorschijn trekken; tornen; uithalen; uitscheppen; uittrekken; voor de dag halen

Wiktionary Übersetzungen für aanrekenen:

aanrekenen
verb
  1. een bepaalde prijs vragen bij een aankoop
  2. de schuld geven van
  3. opvatten als

Verwandte Übersetzungen für aanrekenen