Inhalt
Niederländisch nach Spanisch: mehr Daten
- zagen:
-
zien:
- ver; mirar; observar; distinguir; abarcar con la vista; señalar; distinguirse; hojear; luquear; notar; percibir; percatarse de; darse cuenta de; contemplar; reemplazar; divisar; desempeñar; atisbar; vislumbrar; destacarse; substituir; diferenciarse; discernir; suplir; diferenciar; experimentar; entrever; advertir; vigilar; dar un vistazo a; estar presente
- cuidado; observación; contemplación; atención
Niederländisch
Detailübersetzungen für zagen von Niederländische ins Spanisch
zagen:
Conjugations for zagen:
o.t.t.
- zaag
- zaagt
- zaagt
- zagen
- zagen
- zagen
o.v.t.
- zaagde
- zaagde
- zaagde
- zaagden
- zaagden
- zaagden
v.t.t.
- heb gezaagd
- hebt gezaagd
- heeft gezaagd
- hebben gezaagd
- hebben gezaagd
- hebben gezaagd
v.v.t.
- had gezaagd
- had gezaagd
- had gezaagd
- hadden gezaagd
- hadden gezaagd
- hadden gezaagd
o.t.t.t.
- zal zagen
- zult zagen
- zal zagen
- zullen zagen
- zullen zagen
- zullen zagen
o.v.t.t.
- zou zagen
- zou zagen
- zou zagen
- zouden zagen
- zouden zagen
- zouden zagen
diversen
- zaag!
- zaagt!
- gezaagd
- zagend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Related Definitions for "zagen":
zien:
-
zien (aanschouwen; opmerken; kijken; bekijken; onderscheiden; ontwaren; turen; staren)
ver; mirar; observar; distinguir; abarcar con la vista; señalar; distinguirse; hojear; luquear; notar; percibir; percatarse de; darse cuenta de; contemplar; reemplazar; divisar; desempeñar; atisbar; vislumbrar; destacarse; substituir; diferenciarse; discernir; suplir; diferenciar; experimentar-
ver Verb
-
mirar Verb
-
observar Verb
-
distinguir Verb
-
abarcar con la vista Verb
-
señalar Verb
-
distinguirse Verb
-
hojear Verb
-
luquear Verb
-
notar Verb
-
percibir Verb
-
percatarse de Verb
-
darse cuenta de Verb
-
contemplar Verb
-
reemplazar Verb
-
divisar Verb
-
desempeñar Verb
-
atisbar Verb
-
vislumbrar Verb
-
destacarse Verb
-
substituir Verb
-
diferenciarse Verb
-
discernir Verb
-
suplir Verb
-
diferenciar Verb
-
experimentar Verb
-
-
zien (bespeuren; voelen; waarnemen; gewaarworden; bemerken; ontwaren; merken)
darse cuenta de; observar; percibir; entrever; advertir-
darse cuenta de Verb
-
observar Verb
-
percibir Verb
-
entrever Verb
-
advertir Verb
-
-
zien (observeren; kijken; bekijken; gadeslaan; waarnemen)
ver; mirar; percibir; vigilar; observar; percatarse de; contemplar; dar un vistazo a; distinguir; notar-
ver Verb
-
mirar Verb
-
percibir Verb
-
vigilar Verb
-
observar Verb
-
percatarse de Verb
-
contemplar Verb
-
dar un vistazo a Verb
-
distinguir Verb
-
notar Verb
-
-
zien (waarnemen; observeren; bekijken; gewaarworden; gadeslaan; merken; horen; signaleren; voelen)
ver; notar; observar; estar presente; percibir; contemplar; distinguir-
ver Verb
-
notar Verb
-
observar Verb
-
estar presente Verb
-
percibir Verb
-
contemplar Verb
-
distinguir Verb
-
Conjugations for zien:
o.t.t.
- zie
- ziet
- ziet
- zien
- zien
- zien
o.v.t.
- zag
- zag
- zag
- zagen
- zagen
- zagen
v.t.t.
- heb gezien
- hebt gezien
- heeft gezien
- hebben gezien
- hebben gezien
- hebben gezien
v.v.t.
- had gezien
- had gezien
- had gezien
- hadden gezien
- hadden gezien
- hadden gezien
o.t.t.t.
- zal zien
- zult zien
- zal zien
- zullen zien
- zullen zien
- zullen zien
o.v.t.t.
- zou zien
- zou zien
- zou zien
- zouden zien
- zouden zien
- zouden zien
diversen
- zie!
- ziet!
- gezien
- ziend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
zien (observeren; aanschouwen)
Related Words for "zien":
Related Definitions for "zien":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: