Niederländisch
Detailübersetzungen für baan von Niederländische ins Spanisch
baan:
-
de baan (dienstbetrekking; positie; functie; job)
-
de baan (werkkring; werk; werkplek)
-
de baan (traject; route; weg; afstand; ronde; baanvak; etappe; pad; tournee)
-
de baan (straatweg; straat; weg)
-
de baan (parcours)
-
de baan (spoorweg; spoorbaan; spoor; rails)
-
de baan (rijbaan; gedeelte van de weg; rijweg; rijstrook)
Related Words for "baan":
Synonyms for "baan":
Related Definitions for "baan":
baan form of banen:
-
banen (vrijmaken; bevrijden; emanciperen; vrijvechten; verlossen)
Conjugations for banen:
o.t.t.
- baan
- baant
- baant
- banen
- banen
- banen
o.v.t.
- baande
- baande
- baande
- baanden
- baanden
- baanden
v.t.t.
- heb gebaand
- hebt gebaand
- heeft gebaand
- hebben gebaand
- hebben gebaand
- hebben gebaand
v.v.t.
- had gebaand
- had gebaand
- had gebaand
- hadden gebaand
- hadden gebaand
- hadden gebaand
o.t.t.t.
- zal banen
- zult banen
- zal banen
- zullen banen
- zullen banen
- zullen banen
o.v.t.t.
- zou banen
- zou banen
- zou banen
- zouden banen
- zouden banen
- zouden banen
diversen
- baan!
- baant!
- gebaand
- banende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Related Words for "banen":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: