Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für pas von Niederländische ins Englisch

pas:

pas adv

  1. pas (daarnet; juist; net; zojuist; zonet)
    only
    – as recently as 1
    • only adj
      • I spoke to him only an hour ago1
  2. pas (onlangs; kortgeleden; recentelijk; )

pas [de ~ (m)] Nomen

  1. de pas (stap; schrede)
    the step; the stride
  2. de pas (bergpas)
    the pass; the mountain pass
  3. de pas (paspoort)
    the pass-port; the permit; the pass
  4. de pas (bankpas)
    the cash card
  5. de pas (paspoort; identiteitsbewijs)
    the passport

Related Words for "pas":


Synonyms for "pas":


Antonyms for "pas":


Related Definitions for "pas":

  1. nog maar korte tijd (geleden)2
    • zij zijn pas getrouwd2
  2. doorgang tussen twee bergen2
    • we reden door de St. Gotthardpas2
  3. kaartje waarmee je toont wie je bent2
    • stop je giropas in het apparaat2
  4. niet meer dan, later dan, etc2
    • hij is pas achttien2
  5. paspoort2
    • heb je je pas bij je?2
  6. keer dat je je ene voet voor je andere zet2
    • hij maakte een grote pas vooruit2

pas form of passen:

passen Verb (pas, past, paste, pasten, gepast)

  1. passen (betamen)
    to become
    • become Verb (becomes, became, becoming)
  2. passen (bijpassen)
    to match; to fit; to fit in
    • match Verb (matches, matched, matching)
    • fit Verb (fits, fitted, fitting)
    • fit in Verb (fits in, fitted in, fitting in)
  3. passen (op proef aantrekken; aanpassen)
    to try on
    • try on Verb (tries on, tried on, trying on)
  4. passen (aanproberen; proberen)
    to fit; to try on; to try
    • fit Verb (fits, fitted, fitting)
    • try on Verb (tries on, tried on, trying on)
    • try Verb (tries, tried, trying)
  5. passen (gelegen komen; schikken; conveniëren; uitkomen)
    to suit; suit one's convenience
  6. passen (geld afpassen; aftellen)
    to count off; pay with the exact money; to count; to count out
  7. passen (geschikt zijn; conveniëren; uitkomen; deugen; passend zijn)
    to be suitable; to suit; to befit; to be fit; to be right; to be all right
    • be suitable Verb (is suitable, being suitable)
    • suit Verb (suits, suited, suiting)
    • befit Verb (befits, befitted, befitting)
    • be fit Verb (is fit, being fit)
    • be right Verb (is right, being right)
    • be all right Verb (is all right, being all right)

Conjugations for passen:

o.t.t.
  1. pas
  2. past
  3. past
  4. passen
  5. passen
  6. passen
o.v.t.
  1. paste
  2. paste
  3. paste
  4. pasten
  5. pasten
  6. pasten
v.t.t.
  1. heb gepast
  2. hebt gepast
  3. heeft gepast
  4. hebben gepast
  5. hebben gepast
  6. hebben gepast
v.v.t.
  1. had gepast
  2. had gepast
  3. had gepast
  4. hadden gepast
  5. hadden gepast
  6. hadden gepast
o.t.t.t.
  1. zal passen
  2. zult passen
  3. zal passen
  4. zullen passen
  5. zullen passen
  6. zullen passen
o.v.t.t.
  1. zou passen
  2. zou passen
  3. zou passen
  4. zouden passen
  5. zouden passen
  6. zouden passen
diversen
  1. pas!
  2. past!
  3. gepast
  4. passend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

passen [de ~] Nomen, Plural

  1. de passen (voetstappen; stappen; treden; schreden)
    the footsteps

passen [het ~] Nomen

  1. het passen (aan proberen)
    the fitting; the trying on

Related Words for "passen":


Related Definitions for "passen":

  1. aantrekken en kijken of het goed is2
    • mag ik deze broek even passen?2
  2. erbij horen, erbij aansluiten2
    • dat groen past niet bij dat blauw2
  3. precies de goede maat zijn2
    • dit jasje past me goed2
  4. precies het juiste bedrag betalen2
    • kunt u het misschien passen, ik heb geen klein geld2
  5. toezicht houden2
    • wil je op het huis passen als wij weg zijn?2

Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for pas




Remove Ads