Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für loop von Niederländische ins Englisch

loop:

loop [de ~ (m)] Nomen

  1. de loop (hardloopwedstrijd)
    the run
    – a race run on foot 1
    • run [the ~] Nomen
      • she broke the record for the half-mile run1
    the race; the marathon; the sprints

Related Words for "loop":


loop form of lopen:

lopen Verb (loop, loopt, liep, liepen, gelopen)

  1. lopen (zich voortbewegen; gaan; stappen)
    to be going to; to go; to walk; to move on; to move
    • be going to Verb (is going to, being going to)
    • go Verb (goes, went, going)
    • walk Verb (walks, walked, walking)
    • move on Verb (moves on, moved on, moving on)
    • move Verb (moves, moved, moving)
  2. lopen (kuieren; wandelen; slenteren; rondslenteren)
    to walk; to stroll; to promenade; to saunter; to amble; to parade
    • walk Verb (walks, walked, walking)
    • stroll Verb (strolls, strolled, strolling)
    • promenade Verb (promenades, promenaded, promenading)
    • saunter Verb (saunters, sauntered, sauntering)
    • amble Verb (ambles, ambled, ambling)
    • parade Verb (parades, paraded, parading)
  3. lopen (stromen; vloeien)
    to flow; to run
    – move along, of liquids 1
    • flow Verb (flows, flowed, flowing)
      • Water flowed into the cave1
    • run Verb (runs, ran, running)
    to stream
    • stream Verb (streams, streamed, streaming)
  4. lopen (trappen)
    to step; to tread
    – put down or press the foot, place the foot 1
    • step Verb (steps, stepped, stepping)
      • step on the brake1
    • tread Verb (treads, trod, treading)
      • For fools rush in where angels fear to tread1

Conjugations for lopen:

o.t.t.
  1. loop
  2. loopt
  3. loopt
  4. lopen
  5. lopen
  6. lopen
o.v.t.
  1. liep
  2. liep
  3. liep
  4. liepen
  5. liepen
  6. liepen
v.t.t.
  1. heb gelopen
  2. hebt gelopen
  3. heeft gelopen
  4. hebben gelopen
  5. hebben gelopen
  6. hebben gelopen
v.v.t.
  1. had gelopen
  2. had gelopen
  3. had gelopen
  4. hadden gelopen
  5. hadden gelopen
  6. hadden gelopen
o.t.t.t.
  1. zal lopen
  2. zult lopen
  3. zal lopen
  4. zullen lopen
  5. zullen lopen
  6. zullen lopen
o.v.t.t.
  1. zou lopen
  2. zou lopen
  3. zou lopen
  4. zouden lopen
  5. zouden lopen
  6. zouden lopen
en verder
  1. ben gelopen
  2. bent gelopen
  3. is gelopen
  4. zijn gelopen
  5. zijn gelopen
  6. zijn gelopen
diversen
  1. loop!
  2. loopt!
  3. gelopen
  4. lopend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

lopen [het ~] Nomen

  1. het lopen (geloop)
    the running; the trotting; the coming and going; the walking; the walking around

Related Words for "lopen":


Synonyms for "lopen":


Related Definitions for "lopen":

  1. in werking zijn, draaien2
    • de motor loopt goed2
  2. je te voet voortbewegen door stappen te nemen2
    • er lopen twee mannen voorbij2
  3. zich uitstrekken in een bepaalde richting2
    • de rivier loopt naar zee2
  4. zich ontwikkelen2
    • ik moet nog zien hoe het loopt2

Computerübersetzung von Drittern:
Images:



Remove Ads