Inhalt
Niederländisch nach Englisch:   mehr Daten
  1. knuppel:
  2. knuppelen:

Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für knuppel von Niederländische ins Englisch

knuppel:

knuppel [de ~ (m)] Nomen

  1. de knuppel (ploertendoder; knots)
    the bludgeon; the spadix; the indian club; the life-preserver
  2. de knuppel (knoet)
    the cudgel; the stick; the bat; the knout

Related Words for "knuppel":

  • knuppelen, knuppels, knuppeltje, knuppeltjes

knuppel form of knuppelen:

knuppelen Verb (knuppel, knuppelt, knuppelde, knuppelden, geknuppeld)

  1. knuppelen
    to thwack; to cudgel; to drub; to wallop
    • thwack Verb (thwacks, thwacked, thwacking)
    • cudgel Verb (cudgels, cudgeled, cudgeling)
    • drub Verb (drubs, drubbed, drubbing)
    • wallop Verb (wallops, walloped, walloping)

Conjugations for knuppelen:

o.t.t.
  1. knuppel
  2. knuppelt
  3. knuppelt
  4. knuppelen
  5. knuppelen
  6. knuppelen
o.v.t.
  1. knuppelde
  2. knuppelde
  3. knuppelde
  4. knuppelden
  5. knuppelden
  6. knuppelden
v.t.t.
  1. heb geknuppeld
  2. hebt geknuppeld
  3. heeft geknuppeld
  4. hebben geknuppeld
  5. hebben geknuppeld
  6. hebben geknuppeld
v.v.t.
  1. had geknuppeld
  2. had geknuppeld
  3. had geknuppeld
  4. hadden geknuppeld
  5. hadden geknuppeld
  6. hadden geknuppeld
o.t.t.t.
  1. zal knuppelen
  2. zult knuppelen
  3. zal knuppelen
  4. zullen knuppelen
  5. zullen knuppelen
  6. zullen knuppelen
o.v.t.t.
  1. zou knuppelen
  2. zou knuppelen
  3. zou knuppelen
  4. zouden knuppelen
  5. zouden knuppelen
  6. zouden knuppelen
en verder
  1. ben geknuppeld
  2. bent geknuppeld
  3. is geknuppeld
  4. zijn geknuppeld
  5. zijn geknuppeld
  6. zijn geknuppeld
diversen
  1. knuppel!
  2. knuppelt!
  3. geknuppeld
  4. knuppelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Related Words for "knuppelen":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:



Remove Ads