Niederländisch

Detailübersetzungen für doordringen (Niederländisch) ins Deutsch

doordringen:

doordringen Verb (dring door, dringt door, drong door, drongen door, doorgedrongen)

  1. doordringen (bereiken; penetreren in)
    erreichen; bereichen; erzielen; durchdringen; angelangen; davontragen
    • erreichen Verb (erreiche, erreichst, erreicht, erreichte, erreichtet, erreicht)
    • bereichen Verb (bereiche, bereichst, bereicht, bereichte, bereichtet, bereicht)
    • erzielen Verb (erziele, erzielst, erzielt, erzielte, erzieltet, erzielt)
    • durchdringen Verb (dringe durch, dringst durch, dringt durch, drang durch, drangt durch, durchdrungen)
    • angelangen Verb
    • davontragen Verb (trage davon, trägst davon, trägt davon, trug davon, trugt davon, davongetragen)
  2. doordringen (penetreren)
    durchdringen; lochen; einbrechen; eindringen; erstechen; einschneiden; durchstechen; durchbohren; durchlöchern; penetrieren; hineindringen
    • durchdringen Verb (dringe durch, dringst durch, dringt durch, drang durch, drangt durch, durchdrungen)
    • lochen Verb (loche, lochst, locht, lochte, lochtet, gelocht)
    • einbrechen Verb (breche ein, brichst ein, bricht ein, brach ein, brachet ein, eingebrochen)
    • eindringen Verb (dringe ein, dringst ein, dringt ein, dringte ein, dringtet ein, eingedringt)
    • erstechen Verb
    • einschneiden Verb (schneide ein, schneidest ein, schnitt ein, schnittet ein, eingeschnitten)
    • durchstechen Verb (durchsteche, durchstichst, durchsticht, durchstach, durchstachet, durchstochen)
    • durchbohren Verb (bohre durch, bohrst durch, bohrt durch, bohrte durch, bohrtet durch, durchbohrt)
    • durchlöchern Verb (löcherne durch, löchernst durch, löchernt durch, löchernte durch, löcherntet durch, durchlöchert)
    • penetrieren Verb (penetriere, penetrierst, penetriert, penetrierte, penetriertet, penetriert)
    • hineindringen Verb (dringe hinein, dringst hinein, dringt hinein, drang hinein, drangt hinein, hineingedrungen)

Konjugationen für doordringen:

o.t.t.
  1. dring door
  2. dringt door
  3. dringt door
  4. dringen door
  5. dringen door
  6. dringen door
o.v.t.
  1. drong door
  2. drong door
  3. drong door
  4. drongen door
  5. drongen door
  6. drongen door
v.t.t.
  1. ben doorgedrongen
  2. bent doorgedrongen
  3. is doorgedrongen
  4. zijn doorgedrongen
  5. zijn doorgedrongen
  6. zijn doorgedrongen
v.v.t.
  1. was doorgedrongen
  2. was doorgedrongen
  3. was doorgedrongen
  4. waren doorgedrongen
  5. waren doorgedrongen
  6. waren doorgedrongen
o.t.t.t.
  1. zal doordringen
  2. zult doordringen
  3. zal doordringen
  4. zullen doordringen
  5. zullen doordringen
  6. zullen doordringen
o.v.t.t.
  1. zou doordringen
  2. zou doordringen
  3. zou doordringen
  4. zouden doordringen
  5. zouden doordringen
  6. zouden doordringen
diversen
  1. dring door!
  2. dringt door!
  3. doorgedrongen
  4. doordringend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für doordringen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
angelangen bereiken; doordringen; penetreren in aankomen; arriveren; geraken; terecht komen
bereichen bereiken; doordringen; penetreren in
davontragen bereiken; doordringen; penetreren in afvoeren; behalen; meedragen; omhoogkomen; onverlangd krijgen; opdoen; oplopen; opstijgen; opvliegen; verkrijgen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren; winnen
durchbohren doordringen; penetreren binnen gaan; binnendringen; doorboren; gaatjes maken in; indringen; penetreren; perforeren
durchdringen bereiken; doordringen; penetreren; penetreren in binnen gaan; binnendringen; doordouwen; doorzetten; indringen; penetreren
durchlöchern doordringen; penetreren doorboren; gaatjes maken in; perforeren
durchstechen doordringen; penetreren doorboren; doorsteken; erdoor steken; gaatjes maken in; perforeren
einbrechen doordringen; penetreren afglijden; aftakelen; afzakken; beroven; binnen breken; binnenbreken; binnenvallen; doorbuigen; doorzakken; een inbraak doen; inbreken; inzinken; onverwachts langskomen; vervallen; wegglijden; wegzinken
eindringen doordringen; penetreren betreden; binnen gaan; binnendringen; binnengaan; binnenkomen; binnenlopen; binnenstappen; binnentreden; binnenvallen; indringen; infiltreren; ingaan; invallen; penetreren
einschneiden doordringen; penetreren coifferen; creneleren; doordouwen; doorzetten; een inkeping maken; groeven; in hout schrijven; inkepen; inkerven; insnijden; kappen; kepen; kerven; knippen; snipperen; verknippen; versnipperen
erreichen bereiken; doordringen; penetreren in behalen; doen; geraken; handelen; lenen; ontlenen; terecht komen; uitrichten; uitvoeren; verkrijgen; verrichten; winnen
erstechen doordringen; penetreren doodsteken; neersteken; overhoopsteken
erzielen bereiken; doordringen; penetreren in behalen; binnenbrengen; binnenhalen; verkrijgen; winnen
hineindringen doordringen; penetreren binnen gaan; binnendringen; binnenvallen; doorboren; gaatjes maken in; haven binnenvaren; indringen; infiltreren; invallen; onverwachts langskomen; penetreren; perforeren; zich binnenwroeten; zich binnenwurmen
lochen doordringen; penetreren doorponsen; ponsen; stansen
penetrieren doordringen; penetreren binnen gaan; binnendringen; indringen; penetreren

Verwandte Definitionen für "doordringen":

  1. dwars door alles heen gaan1
    • uiteindelijk ben ik doorgedrongen tot de kamer van de minister1
  2. hem er goed van overtuigen1
    • ik heb hem ervan doordrongen dat hij geluk had1

Wiktionary Übersetzungen für doordringen:


Cross Translation:
FromToVia
doordringen durchdringen; penetrieren penetrate — enter into
doordringen durchsickern percolate — (intransitive) spread slowly or gradually
doordringen durchziehen pervade — to be in every part of
doordringen hereinkommen; hineinkommen; durchdringen; eindringen; eintreten entreraller de dehors vers dedans.
doordringen durchdringen; eindringen pénétrerpasser à travers ; entrer fort avant.