Inhalt
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. verblijf:
  2. verblijven:

Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für verblijf von Niederländische ins Deutsch

verblijf:

verblijf [het ~] Nomen

  1. het verblijf (huis; optrekje; stulp)
    Häuschen; die Hütte
  2. het verblijf (woning; huis; residentie; woonhuis; thuis)
    die Wohnung; Zuhause; Heim; der Wohnort; der Sitz; der Wohnsitz

Related Definitions for "verblijf":

  1. het ergens zijn1
    • ons verblijf in Amerika was geen succes1
  2. plaats waar je bent1
    • in het dagverblijf mag je roken1

verblijven:

verblijven [het ~] Nomen

  1. het verblijven
    sich Aufhalten; Wohnen

verblijven Verb (verblijf, verblijft, verbleef, verbleven, verbleven)

  1. verblijven (wonen; leven; resideren; logeren)
    wohnen; leben
    • wohnen Verb (wohne, wohnst, wohnt, wohnte, wohntet, gewohnt)
    • leben Verb (lebe, lebst, lebt, lebte, lebtet, gelebt)

Conjugations for verblijven:

o.t.t.
  1. verblijf
  2. verblijft
  3. verblijft
  4. verblijven
  5. verblijven
  6. verblijven
o.v.t.
  1. verbleef
  2. verbleef
  3. verbleef
  4. verbleven
  5. verbleven
  6. verbleven
v.t.t.
  1. heb verbleven
  2. hebt verbleven
  3. heeft verbleven
  4. hebben verbleven
  5. hebben verbleven
  6. hebben verbleven
v.v.t.
  1. had verbleven
  2. had verbleven
  3. had verbleven
  4. hadden verbleven
  5. hadden verbleven
  6. hadden verbleven
o.t.t.t.
  1. zal verblijven
  2. zult verblijven
  3. zal verblijven
  4. zullen verblijven
  5. zullen verblijven
  6. zullen verblijven
o.v.t.t.
  1. zou verblijven
  2. zou verblijven
  3. zou verblijven
  4. zouden verblijven
  5. zouden verblijven
  6. zouden verblijven
diversen
  1. verblijf!
  2. verblijft!
  3. verbleven
  4. verblijvend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for verblijf



Remove Ads

Remove Ads