Niederländisch
Detailübersetzungen für regel von Niederländische ins Deutsch
regel:
-
de regel (schriftlijn)
-
de regel (voorschrift; wet; regeling; reglement; orde)
die Vorschrift; Gesetz; Reglement; die Regelung; die Richtlinie; die Ordnung; die Verordnung; Gebot; die Verfügung; die Satzung; Statut; die Bestimmung; die Anordnung; die Dienstordnung -
de regel
-
de regel
-
de regel (filter)
Translation Matrix for regel:
Related Words for "regel":
Synonyms for "regel":
Related Definitions for "regel":
regelen:
-
regelen (iets op touw zetten; arrangeren)
regeln; organisieren; einrichten; veranstalten; anordnen; bauen; ausrichten; aufstellen; herrichten; aufbauen; erbauen; deichseln; errichten-
organisieren Verb (organisiere, organisierst, organisiert, organisierte, organisiertet, organisiert)
-
veranstalten Verb (veranstalte, veranstaltest, veranstaltet, veranstaltete, veranstaltetet, veranstaltet)
-
regelen (schikken)
-
regelen (arrangeren; afspreken; bedisselen)
regeln; organisieren; regulieren; steuern; ordnen-
organisieren Verb (organisiere, organisierst, organisiert, organisierte, organisiertet, organisiert)
-
regelen (afstemmen; bijstellen; afstellen)
-
regelen (in orde maken; klaren; afdoen)
Conjugations for regelen:
o.t.t.
- regel
- regelt
- regelt
- regelen
- regelen
- regelen
o.v.t.
- regelde
- regelde
- regelde
- regelden
- regelden
- regelden
v.t.t.
- heb geregeld
- hebt geregeld
- heeft geregeld
- hebben geregeld
- hebben geregeld
- hebben geregeld
v.v.t.
- had geregeld
- had geregeld
- had geregeld
- hadden geregeld
- hadden geregeld
- hadden geregeld
o.t.t.t.
- zal regelen
- zult regelen
- zal regelen
- zullen regelen
- zullen regelen
- zullen regelen
o.v.t.t.
- zou regelen
- zou regelen
- zou regelen
- zouden regelen
- zouden regelen
- zouden regelen
en verder
- is geregeld
diversen
- regel!
- regelt!
- geregeld
- regelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
-
het regelen (organiseren)
-
het regelen (inregelen; afstemmen; instellen; afstellen)