Detailübersetzungen für passen von Niederländische ins Deutsch
passen:
-
passen;
schicken;
geziemen
-
passen
Verb
(paße, paßest, paßt, paßte, paßtet, gepaßt)
-
schicken
Verb
(schicke, schickst, schickt, schickte, schicktet, geschickt)
-
geziemen
Verb
(gezieme, geziemst, geziemt, geziemte, geziemtet, geziemt)
-
passen;
anprobieren
-
passen
Verb
(paße, paßest, paßt, paßte, paßtet, gepaßt)
-
anprobieren
Verb
(probiere an, probierst an, probiert an, probierte an, probiertet an, anprobiert)
-
anpassen;
einfügen
-
anpassen
Verb
(passe an, paßt an, paßte an, paßtet an, angepaßt)
-
einfügen
Verb
(füge ein, fügst ein, fügt ein, fügte ein, fügtet ein, eingefügt)
-
anprobieren;
probieren;
ausprobieren
-
anprobieren
Verb
(probiere an, probierst an, probiert an, probierte an, probiertet an, anprobiert)
-
probieren
Verb
(probiere, probierst, probiert, probierte, probiertet, probiert)
-
ausprobieren
Verb
(probiere aus, probierst aus, probiert aus, probierte aus, probiertet aus, ausprobiert)
-
gelegen kommen;
passen;
konvenieren;
rundkommen
-
-
passen
Verb
(paße, paßest, paßt, paßte, paßtet, gepaßt)
-
konvenieren
Verb
(konveniere, konvenierst, konveniert, konvenierte, konveniertet, konveniert)
-
-
abzählen;
passen;
zählen;
abpassen;
abgepaßt
-
abzählen
Verb
(zähle ab, zählst ab, zählt ab, zählte ab, zähltet ab, abgezählt)
-
passen
Verb
(paße, paßest, paßt, paßte, paßtet, gepaßt)
-
zählen
Verb
(zähle, zählst, zählt, zählte, zähltet, gezählt)
-
abpassen
Verb
(paße ab, paßt ab, paßte ab, paßtet ab, abgepaßt)
-
-
passen;
geschikt sein;
gefallen;
taugen;
konvenieren;
schmecken
-
passen
Verb
(paße, paßest, paßt, paßte, paßtet, gepaßt)
-
-
gefallen
Verb
(gefalle, gefällst, gefällt, gefiel, gefielt, gefallen)
-
taugen
Verb
(tauge, taugst, taugt, taugte, taugtet, getaugt)
-
konvenieren
Verb
(konveniere, konvenierst, konveniert, konvenierte, konveniertet, konveniert)
-
schmecken
Verb
(schmecke, schmeckst, schmeckt, schmeckte, schmecktet, geschmeckt)
Conjugations for passen:
o.t.t.
- pas
- past
- past
- passen
- passen
- passen
o.v.t.
- paste
- paste
- paste
- pasten
- pasten
- pasten
v.t.t.
- heb gepast
- hebt gepast
- heeft gepast
- hebben gepast
- hebben gepast
- hebben gepast
v.v.t.
- had gepast
- had gepast
- had gepast
- hadden gepast
- hadden gepast
- hadden gepast
o.t.t.t.
- zal passen
- zult passen
- zal passen
- zullen passen
- zullen passen
- zullen passen
o.v.t.t.
- zou passen
- zou passen
- zou passen
- zouden passen
- zouden passen
- zouden passen
diversen
- pas!
- past!
- gepast
- passend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
Related Words for "passen":
Related Definitions for "passen":
-
aantrekken en kijken of het goed is1
-
erbij horen, erbij aansluiten1
-
precies de goede maat zijn1
-
precies het juiste bedrag betalen1
-
toezicht houden1
pas:
Related Words for "pas":
Synonyms for "pas":
Antonyms for "pas":
Related Definitions for "pas":
-
nog maar korte tijd (geleden)1
-
doorgang tussen twee bergen1
-
kaartje waarmee je toont wie je bent1
-
niet meer dan, later dan, etc1
-
paspoort1
-
keer dat je je ene voet voor je andere zet1
Computerübersetzung von Drittern:
Images:
Related Translations for passen