Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für inzet von Niederländische ins Deutsch

inzet:

inzet [de ~ (m)] Nomen

  1. de inzet (doeleinde; doel; streven)
    Ziel; der Zweck; die Zielsetzung
  2. de inzet (aanwending; toepassing; gebruik)
    die Verwendung
  3. de inzet (speelgeld; poule; pot)
    der Einsatz; der Pool; die Geldeinlage; Spielgeld
  4. de inzet (toewijding; devotie; overgave; )
    der Einsatz; die Ergebenheit; die Hingabe; die Widmung; die Übergabe; die Treue; die Hingebung
  5. de inzet (aanvang; begin; opening; start)
    der Anfang; der Beginn; die Eröffnung; der Start; Anfangen; die Einleitung

Related Words for "inzet":


Related Definitions for "inzet":

  1. de mate waarin hij zich inspant1
    • deze leerlingen tonen veel inzet1
  2. geld dat je geeft voor een gokwedstrijd1
    • de inzet is 100 gulden1
  3. waar het om gaat1
    • de inzet van die ruzie was de keuze voor een televisieprogramma1

inzet form of inzetten:

inzetten Verb (zet in, zette in, zetten in, ingezet)

  1. inzetten (speelgeld inzetten)
    eine Wette machen; wetten
  2. inzetten (verwedden; wedden)
    wetten; einsetzen; verwetten
    • wetten Verb (wette, wettest, wettet, wettete, wettetet, gewettet)
    • einsetzen Verb (setze ein, setzt ein, setzte ein, setztet ein, eingesetzt)
    • verwetten Verb (verwette, verwettest, verwettet, verwettete, verwettetet, verwettet)
  3. inzetten (inzet tonen)
    einsetzen; Einsatz zeigen
  4. inzetten (op gang komen; beginnen; intreden)
    beginnen; starten; einsetzen; anfangen; antreten; abheben; anheben
    • beginnen Verb (beginne, beginnst, beginnt, begann, begannt, begonnen)
    • starten Verb (starte, startest, startet, startete, startetet, gestart)
    • einsetzen Verb (setze ein, setzt ein, setzte ein, setztet ein, eingesetzt)
    • anfangen Verb (fange an, fängst an, fängt an, fing an, fingt an, angefangen)
    • antreten Verb (trete an, trittst an, tritt an, trate an, tratet an, angetreten)
    • abheben Verb (hebe ab, hebst ab, hebt ab, hob ab, hobt ab, abgehoben)
    • anheben Verb (hebe an, hebst an, hebt an, hob an, hobt an, angehoben)

Conjugations for inzetten:

o.t.t.
  1. zet in
  2. zet in
  3. zet in
  4. zetten in
  5. zetten in
  6. zetten in
o.v.t.
  1. zette in
  2. zette in
  3. zette in
  4. zetten in
  5. zetten in
  6. zetten in
v.t.t.
  1. heb ingezet
  2. hebt ingezet
  3. heeft ingezet
  4. hebben ingezet
  5. hebben ingezet
  6. hebben ingezet
v.v.t.
  1. had ingezet
  2. had ingezet
  3. had ingezet
  4. hadden ingezet
  5. hadden ingezet
  6. hadden ingezet
o.t.t.t.
  1. zal inzetten
  2. zult inzetten
  3. zal inzetten
  4. zullen inzetten
  5. zullen inzetten
  6. zullen inzetten
o.v.t.t.
  1. zou inzetten
  2. zou inzetten
  3. zou inzetten
  4. zouden inzetten
  5. zouden inzetten
  6. zouden inzetten
en verder
  1. ben ingezet
  2. bent ingezet
  3. is ingezet
  4. zijn ingezet
  5. zijn ingezet
  6. zijn ingezet
diversen
  1. zet in!
  2. zet in!
  3. ingezet
  4. inzettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

inzetten [de ~] Nomen, Plural

  1. de inzetten (geld inzetten)
    die Einlage; der Geldeinsatz
  2. de inzetten

inzetten [het ~] Nomen

  1. het inzetten (aanheffen)
    Anfangen; Einsetzen; Anheben; Angehen; Anstimmen

Related Words for "inzetten":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for inzet



Remove Ads

Remove Ads