Inhalt
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. doorbreken:

Remove Ads

Niederländisch

Detailübersetzungen für doorbreken von Niederländische ins Deutsch

doorbreken:

doorbreken Verb (breek door, breekt door, brak door, braken door, doorgebroken)

  1. doorbreken
    durchstoßen; knacken; forcieren; aufgehen
    • durchstoßen Verb (durchstoße, durchstößst, durchstößt, durchstieß, durchstießt, durchstoßen)
    • knacken Verb (knacke, knackst, knackt, knackte, knacktet, geknackt)
    • forcieren Verb (forciere, forcierst, forciert, forcierte, forciertet, forciert)
    • aufgehen Verb (gehe auf, gehst auf, geht auf, ging auf, ginget auf, aufgegangen)

Conjugations for doorbreken:

o.t.t.
  1. breek door
  2. breekt door
  3. breekt door
  4. breken door
  5. breken door
  6. breken door
o.v.t.
  1. brak door
  2. brak door
  3. brak door
  4. braken door
  5. braken door
  6. braken door
v.t.t.
  1. heb doorgebroken
  2. hebt doorgebroken
  3. heeft doorgebroken
  4. hebben doorgebroken
  5. hebben doorgebroken
  6. hebben doorgebroken
v.v.t.
  1. had doorgebroken
  2. had doorgebroken
  3. had doorgebroken
  4. hadden doorgebroken
  5. hadden doorgebroken
  6. hadden doorgebroken
o.t.t.t.
  1. zal doorbreken
  2. zult doorbreken
  3. zal doorbreken
  4. zullen doorbreken
  5. zullen doorbreken
  6. zullen doorbreken
o.v.t.t.
  1. zou doorbreken
  2. zou doorbreken
  3. zou doorbreken
  4. zouden doorbreken
  5. zouden doorbreken
  6. zouden doorbreken
en verder
  1. ben doorgebroken
  2. bent doorgebroken
  3. is doorgebroken
  4. zijn doorgebroken
  5. zijn doorgebroken
  6. zijn doorgebroken
diversen
  1. breek door!
  2. breekt door!
  3. doorgebroken
  4. doorbrekend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

doorbreken [znw.] Nomen

  1. doorbreken (doorbreking; doorbraak)
    der Durchbruch; Durchbrechen

Computerübersetzung von Drittern:
Images:


Remove Ads

Remove Ads