Detailübersetzungen für peiner von Französische ins Niederländisch
peiner:
-
-
zwoegen;
ploeteren;
sloven;
afbeulen;
sappelen;
afjakkeren;
afsloven;
zich afsloven
-
zwoegen
Verb
(zwoeg, zwoegt, zwoegde, zwoegden, gezwoegd)
-
ploeteren
Verb
(ploeter, ploetert, ploeterde, ploeterden, geploeterd)
-
sloven
Verb
(sloof, slooft, sloofte, slooften, geslooft)
-
afbeulen
Verb
(beul af, beult af, beulde af, beulden af, afgebeuld)
-
sappelen
Verb
(sappel, sappelt, sappelde, sappelden, gesappeld)
-
afjakkeren
Verb
(jakker af, jakkert af, jakkerde af, jakkerden af, afgejakkerd)
-
afsloven
Verb
(sloof af, slooft af, sloofde af, sloofden af, afgesloofd)
-
-
half dood werken;
afbeulen;
kapotwerken;
een ongeluk werken;
hard werken;
pezen;
sloven;
buffelen;
aanpoten
-
-
afbeulen
Verb
(beul af, beult af, beulde af, beulden af, afgebeuld)
-
kapotwerken
Verb
(werk kapot, werkt kapot, werkte kapot, werkten kapot, kapot gewerkt)
-
-
hard werken
Verb
(werk hard, werkt hard, werkte hard, werkten hard, hard gewerkt)
-
pezen
Verb
(pees, peest, peesde, peesden, gepeesd)
-
sloven
Verb
(sloof, slooft, sloofte, slooften, geslooft)
-
buffelen
Verb
(buffel, buffelt, buffelde, buffelden, gebuffeld)
-
aanpoten
Verb
(poot aan, pootte aan, pootten aan, aangepoot)
Conjugations for peiner:
Présent
- peine
- peines
- peine
- peinons
- peinez
- peinent
imparfait
- peinais
- peinais
- peinait
- peinions
- peiniez
- peinaient
passé simple
- peinai
- peinas
- peina
- peinâmes
- peinâtes
- peinèrent
futur simple
- peinerai
- peineras
- peinera
- peinerons
- peinerez
- peineront
subjonctif présent
- que je peine
- que tu peines
- qu'il peine
- que nous peinions
- que vous peiniez
- qu'ils peinent
conditionnel présent
- peinerais
- peinerais
- peinerait
- peinerions
- peineriez
- peineraient
passé composé
- ai peiné
- as peiné
- a peiné
- avons peiné
- avez peiné
- ont peiné
divers
- peine!
- peinez!
- peinons!
- peiné
- peinant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles
Synonyms for "peiner":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: