Inhalt
Französisch nach Niederländisch: mehr Daten
-
passer:
- bezoeken; langskomen; voorbijkomen; op bezoek komen; opzoeken; inlopen; aankomen; besteden; doorbrengen; slijten; passeren; voorbijgaan; inhalen; voorbijrijden; verstrijken; verlopen; vervallen; vergaan; aflopen; verstrekken; verlenen; geven; schenken; aanreiken; reiken; aangeven; aanlopen; komen aanlopen; erdoor komen; oversteken; dwars oversteken; doordrukken; doorstoten; drukkend door iets heen brengen; aantrekken; dichttrekken; toestoppen; voorbijvaren; reizen door; doorheen reizen
Französisch
Detailübersetzungen für passer von Französische ins Niederländisch
passer:
-
passer (rendre visite; rendre visite à; aller voir; fréquenter; faire une invasion; consulter; envahir; chercher; pénétrer dans; s'informer)
-
passer (passer le temps)
-
passer (passer devant; dépasser; rejoindre; rattraper; doubler)
-
passer (s'écouler; expirer; se passer; parvenir; réussir; se terminer par; se terminer; descendre; aboutir; terminer; aboutir à; atterrir; se retrouver; atteindre; stopper; prendre fin; aborder; arriver; finir; s'arrêter; s'achever; arriver à; parvenir à; tomber dans)
-
passer (fournir; donner; procurer; remettre; distribuer; livrer)
-
passer (donner; remettre; étendre; tendre)
-
passer
-
passer
-
passer (traverser)
-
passer (traverser)
dwars oversteken-
dwars oversteken Verb (steek dwars over, steekt dwars over, stak dwars over, staken dwars over, dwars overgestoken)
-
-
passer (faire passer à travers; enfoncer)
-
passer (fermer en tirant; tirer; revêtir; serrer; boucler; mettre; sangler)
-
passer (glisser)
-
passer (passer en bateau; doubler)
-
passer (traverser; parcourir)
reizen door; doorheen reizen-
reizen door Verb
-
doorheen reizen Verb (reis doorheen, reist doorheen, reisde doorheen, reisden doorheen, doorheen gereisd)
-
Conjugations for passer:
Présent
- passe
- passes
- passe
- passons
- passez
- passent
imparfait
- passais
- passais
- passait
- passions
- passiez
- passaient
passé simple
- passai
- passas
- passa
- passâmes
- passâtes
- passèrent
futur simple
- passerai
- passeras
- passera
- passerons
- passerez
- passeront
subjonctif présent
- que je passe
- que tu passes
- qu'il passe
- que nous passions
- que vous passiez
- qu'ils passent
conditionnel présent
- passerais
- passerais
- passerait
- passerions
- passeriez
- passeraient
passé composé
- ai passé
- as passé
- a passé
- avons passé
- avez passé
- ont passé
divers
- passe!
- passez!
- passons!
- passé
- passant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles
Synonyms for "passer":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: