Remove Ads

Französisch

Detailübersetzungen für offrir von Französische ins Niederländisch

offrir:

offrir Verb

  1. offrir (présenter; proposer)
    aanbieden; indienen
    • aanbieden Verb (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
    • indienen Verb (dien in, dient in, diende in, dienden in, ingediend)
  2. offrir (faire une offre de; présenter)
    bieden
    • bieden Verb (bied, biedt, bood, boden, geboden)
  3. offrir (donner; remettre aux mains)
    aanbieden; geven; aanreiken
    • aanbieden Verb (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
    • geven Verb (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • aanreiken Verb (reik aan, reikt aan, reikte aan, reikten aan, aangereikt)
  4. offrir (tendre quelque chose à quelqu'un; donner; rendre; )
    geven; overgeven; overhandigen; aanreiken; aangeven; afgeven; toesteken
    • geven Verb (geef, geeft, gaf, gaven, gegeven)
    • overgeven Verb (geef over, geeft over, gaf over, gaven over, overgegeven)
    • overhandigen Verb (overhandig, overhandigt, overhandigde, overhandigden, overhandigd)
    • aanreiken Verb (reik aan, reikt aan, reikte aan, reikten aan, aangereikt)
    • aangeven Verb (geef aan, geeft aan, gaf aan, gaven aan, aangegeven)
    • afgeven Verb (geef af, geeft af, gaf af, gaven af, afgegeven)
    • toesteken Verb (steek toe, steekt toe, stak toe, staken toe, toegestoken)
  5. offrir (proposer; présenter; donner; promettre; faire une offre de)
    aanbieden; offreren; presenteren
    • aanbieden Verb (bied aan, biedt aan, bood aan, boden aan, aangeboden)
    • offreren Verb (offreer, offreert, offreerde, offreerden, geoffreerd)
    • presenteren Verb (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
  6. offrir (faire une offre de; proposer; promettre)
    uitloven
    • uitloven Verb (loof uit, looft uit, loofde uit, loofden uit, uitgelooft)
  7. offrir (donner cadeau; verser; céder; faire présent de)
    schenken; cadeau geven; cadeau doen
    • schenken Verb (schenk, schenkt, schonk, schonken, geschonken)
    • cadeau geven Verb (geef cadeau, geeft cadeau, gaf cadeau, gaven cadeau, cadeau gegeven)
  8. offrir (montrer; présenter; faire voir; exposer)
    presenteren; laten zien; tonen; vertonen
    • presenteren Verb (presenteer, presenteert, presenteerde, presenteerden, gepresenteerd)
    • laten zien Verb (laat zien, liet zien, lieten zien, laten zien)
    • tonen Verb (toon, toont, toonde, toonden, getoond)
    • vertonen Verb (vertoon, vertoont, vertoonde, vertoonden, vertoond)
  9. offrir (régaler; offrir une tournée; fêter; inviter; faire la fête)
    trakteren; fuiven
    • trakteren Verb (trakteer, trakteert, trakteerde, trakteerden, getrakteerd)
    • fuiven Verb (fuif, fuift, fuifde, fuifden, gefuifd)
  10. offrir (servir à table; servir; prendre soin de; )
    bedienen; opdissen; voorzetten; opdienen; aan tafel bedienen
    • bedienen Verb (bedien, bedient, bediende, bedienden, bediend)
    • opdissen Verb (dis op, dist op, diste op, disten op, opgedist)
    • voorzetten Verb (zet voor, zette voor, zetten voor, voorgezet)
    • opdienen Verb (dien op, dient op, diende op, dienden op, opgediend)
    • aan tafel bedienen Verb (bedien aan tafel, bedient aan tafel, bediende aan tafel, bedienden aan tafel, aan tafel bediend)
  11. offrir (servir à table; présenter; servir)
    voorschotelen
    • voorschotelen Verb (schotel voor, schotelt voor, schotelde voor, schotelden voor, voorgeschoteld)
  12. offrir (fournir; remettre; livrer)
    leveren
    • leveren Verb (lever, levert, leverde, leverden, geleverd)

Conjugations for offrir:

Présent
  1. offre
  2. offres
  3. offre
  4. offrons
  5. offrez
  6. offrent
imparfait
  1. offrais
  2. offrais
  3. offrait
  4. offrions
  5. offriez
  6. offraient
passé simple
  1. offris
  2. offris
  3. offrit
  4. offrîmes
  5. offrîtes
  6. offrirent
futur simple
  1. offrirai
  2. offriras
  3. offrira
  4. offrirons
  5. offrirez
  6. offriront
subjonctif présent
  1. que j'offre
  2. que tu offres
  3. qu'il offre
  4. que nous offrions
  5. que vous offriez
  6. qu'ils offrent
conditionnel présent
  1. offrirais
  2. offrirais
  3. offrirait
  4. offririons
  5. offririez
  6. offriraient
passé composé
  1. ai offert
  2. as offert
  3. a offert
  4. avons offert
  5. avez offert
  6. ont offert
divers
  1. offe!
  2. offrez!
  3. offrons!
  4. offert
  5. offrant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "offrir":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for offrir



Remove Ads

Remove Ads