Remove Ads

Französisch

Detailübersetzungen für chasse von Französische ins Niederländisch

chasse:

chasse [la ~] Nomen

  1. la chasse (partie de chasse)
    jagen; de jacht
  2. la chasse (partie de chasse)
  3. la chasse (partie de chasse)
    jachtrit
  4. la chasse (chasse à courre; meute; partie de chasse)
    de jacht; wildjacht; de jachtpartij; jaagpartij
  5. la chasse (tirs; meurtre; feu)
    schieten; het vuren
  6. la chasse (poursuite)
    de achtervolging
  7. la chasse (flottement)
    drijven
  8. la chasse (saison de la chasse)
    het jachtseizoen; de jachttijd
  9. la chasse (saison de chasse)
    jaagtijd
  10. la chasse
    de jacht

Synonyms for "chasse":


chasse form of chasser:

chasser Verb

  1. chasser (éloigner; renvoyer; écarter; )
    verwijderen; afnemen; ecarteren; weghalen; lichten; verplaatsen; wegnemen; wegdoen; wegbrengen; afzonderen; vervreemden; wegwerken
    • verwijderen Verb (verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
    • afnemen Verb (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • ecarteren Verb (ecarteer, ecarteert, ecarteerde, ecarteerden, geecarteerd)
    • weghalen Verb (haal weg, haalt weg, haalde weg, haalden weg, weggehaald)
    • lichten Verb (licht, lichtte, lichtten, gelicht)
    • verplaatsen Verb (verplaats, verplaatst, verplaatste, verplaatsten, verplaatst)
    • wegnemen Verb (neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
    • wegdoen Verb (doe weg, doet weg, deed weg, deden weg, weggedaan)
    • wegbrengen Verb (breng weg, brengt weg, bracht weg, brachten weg, weggebracht)
    • afzonderen Verb (zonder af, zondert af, zonderde af, zonderden af, afgezonderd)
    • vervreemden Verb (vervreemd, vervreemdt, vervreemdde, vervreemdden, vervreemd)
    • wegwerken Verb (werk weg, werkt weg, werkte weg, werkten weg, weggewerkt)
  2. chasser (mettre au ban; bannir; exiler; expulser; exorciser)
    verbannen; verdrijven; uitbannen; bannen; uitzetten; uitstoten; uitwijzen; verjagen; bezweren; wegjagen
    • verbannen Verb (verban, verbant, verbande, verbanden, verband)
    • verdrijven Verb (verdrijf, verdrijft, verdreef, verdreven, verdreven)
    • uitbannen Verb (ban uit, bant uit, bande uit, banden uit, uitgebannen)
    • bannen Verb (ban, bant, bande, banden, geband)
    • uitzetten Verb (zet uit, zette uit, zetten uit, uitgezet)
    • uitstoten Verb (stoot uit, stootte uit, uitgestoten)
    • uitwijzen Verb (wijs uit, wijst uit, wees uit, wezen uit, uitgewezen)
    • verjagen Verb (verjaag, verjaagt, verjaagde, verjaagden, verjaagd)
    • bezweren Verb (bezweer, bezweert, bezweerde, bezweerden, bezweerd)
    • wegjagen Verb (jaag weg, jaagt weg, joeg weg, joegen weg, weggejaagd)
  3. chasser (presser)
    jachten; ophitsen; voortjagen; opjagen; opdrijven
    • jachten Verb (jacht, jachtte, jachtten, gejacht)
    • ophitsen Verb (hits op, hitst op, hitste op, hitsten op, opgehitst)
    • voortjagen Verb (jaag voort, jaagt voort, joeg voort, joegen voort, voortgejaagd)
    • opjagen Verb (jaag op, jaagt op, jaagde op, jaagden op, opgejaagd)
    • opdrijven Verb (drijf op, drijft op, dreef op, dreven op, opgedreven)
  4. chasser (refuser la porte; exclure; repousser; excepter; éliminer)
    uitsluiten; buitensluiten
    • uitsluiten Verb (sluit uit, sloot uit, sloten uit, uitgesloten)
    • buitensluiten Verb (sluit buiten, sloot buiten, sloten buiten, buitengesloten)
  5. chasser (expulser)
  6. chasser (repousser; contenir; enrayer; lutter conte; se protéger de)
    weren; afhouden
    • weren Verb (weer, weert, weerde, weerden, geweerd)
    • afhouden Verb (houd af, houdt af, hield af, hielden af, afgehouden)

Conjugations for chasser:

Présent
  1. chasse
  2. chasses
  3. chasse
  4. chassons
  5. chassez
  6. chassent
imparfait
  1. chassais
  2. chassais
  3. chassait
  4. chassions
  5. chassiez
  6. chassaient
passé simple
  1. chassai
  2. chassas
  3. chassa
  4. chassâmes
  5. chassâtes
  6. chassèrent
futur simple
  1. chasserai
  2. chasseras
  3. chassera
  4. chasserons
  5. chasserez
  6. chasseront
subjonctif présent
  1. que je chasse
  2. que tu chasses
  3. qu'il chasse
  4. que nous chassions
  5. que vous chassiez
  6. qu'ils chassent
conditionnel présent
  1. chasserais
  2. chasserais
  3. chasserait
  4. chasserions
  5. chasseriez
  6. chasseraient
passé composé
  1. ai chassé
  2. as chassé
  3. a chassé
  4. avons chassé
  5. avez chassé
  6. ont chassé
divers
  1. chasse!
  2. chassez!
  3. chassons!
  4. chassé
  5. chassant
1. je, 2. tu/vous, 3. il/elle/on, 4. nous, 5. vous, 6. ils/elles

Synonyms for "chasser":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for chasse



Remove Ads

Remove Ads