Remove Ads

Spanisch

Detailübersetzungen für llegar von Spanische ins Niederländisch

llegar:

llegar Verb

  1. llegar (venir; hacer su entrada; acceder; )
    aankomen
    – na een reis ergens komen 1
    • aankomen Verb (kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
      • de trein komt om drie uur aan1
    arriveren
    • arriveren Verb (arriveer, arriveert, arriveerde, arriveerden, gearriveerd)
  2. llegar (cruzar la meta)
    aankomen; finishen; eindigen
    • aankomen Verb (kom aan, komt aan, kwam aan, kwamen aan, aangekomen)
    • finishen Verb (finish, finisht, finishte, finishten, gefinisht)
    • eindigen Verb (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
  3. llegar (efectuar; terminar; finalizar; )
    beëindigen; afsluiten; eindigen; ophouden; stoppen; een einde maken aan
    • beëindigen Verb (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afsluiten Verb (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • eindigen Verb (eindig, eindigt, eindigde, eindigden, geëindigd)
    • ophouden Verb (houd op, houdt op, hield op, hielden op, opgehouden)
    • stoppen Verb (stop, stopt, stopte, stopten, gestopt)
    • een einde maken aan Verb (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
  4. llegar (entrar; meterse; entrar en; )
    betreden; binnenkomen; ingaan; binnentreden; binnengaan; binnenstappen; binnenlopen
    • betreden Verb (betreed, betreedt, betrad, betraden, betreden)
    • binnenkomen Verb (kom binnen, komt binnen, kwam binnen, kwamen binnen, binnengekomen)
    • ingaan Verb (ga in, gaat in, ging in, gingen in, ingegaan)
    • binnentreden Verb (treed binnen, treedt binnen, trad binnen, traden binnen, binnengetreden)
    • binnengaan Verb (ga binnen, gaat binnen, ging binnen, gingen binnen, binnengegaan)
    • binnenstappen Verb (stap binnen, stapt binnen, stapte binnen, stapten binnen, binnengestapt)
    • binnenlopen Verb (loop binnen, loopt binnen, liep binnen, liepen binnen, binnengelopen)
  5. llegar (alcanzar; allegarse; apearse; acercarse)
    terecht komen; geraken
  6. llegar (ir a parar; venir a parar; salir; acabar; resultar)
    terechtkomen; geraken; verzeilen; belanden
    • terechtkomen Verb (kom terecht, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, terechtgekomen)
    • geraken Verb (geraak, geraakt, geraakte, geraakten, geraakt)
    • verzeilen Verb
    • belanden Verb (beland, belandt, belandde, belandden, beland)
  7. llegar (arribar)
    landen; terechtkomen; neerkomen; op de grond komen
    • landen Verb (land, landt, landde, landden, geland)
    • terechtkomen Verb (kom terecht, komt terecht, kwam terecht, kwamen terecht, terechtgekomen)
    • neerkomen Verb (kom neer, komt neer, kwam neer, kwamen neer, neergekomen)
  8. llegar (tener acabado; acabar; terminar; )
    uitkrijgen
    • uitkrijgen Verb (krijg uit, krijgt uit, kreeg uit, kregen uit, uitgekregen)
  9. llegar (terminar de leer; acabar; terminar; )

Conjugations for llegar:

presente
  1. llego
  2. llegas
  3. llega
  4. llegamos
  5. llegáis
  6. llegan
imperfecto
  1. llegaba
  2. llegabas
  3. llegaba
  4. llegábamos
  5. llegabais
  6. llegaban
indefinido
  1. llegué
  2. llegaste
  3. llegó
  4. llegamos
  5. llegasteis
  6. llegaron
fut. de ind.
  1. llegaré
  2. llegarás
  3. llegará
  4. llegaremos
  5. llegaréis
  6. llegarán
condic.
  1. llegaría
  2. llegarías
  3. llegaría
  4. llegaríamos
  5. llegaríais
  6. llegarían
pres. de subj.
  1. que llegue
  2. que llegues
  3. que llegue
  4. que lleguemos
  5. que lleguéis
  6. que lleguen
imp. de subj.
  1. que llegara
  2. que llegaras
  3. que llegara
  4. que llegáramos
  5. que llegarais
  6. que llegaran
miscelánea
  1. ¡llega!
  2. ¡llegad!
  3. ¡no llegues!
  4. ¡no lleguéis!
  5. llegado
  6. llegando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "llegar":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for llegar



Remove Ads

Remove Ads