Remove Ads

Spanisch

Detailübersetzungen für establecer von Spanische ins Niederländisch

establecer:

establecer Verb

  1. establecer (fundar; constituir)
    oprichten; stichten; instellen; invoeren
    • oprichten Verb (richt op, richtte op, richtten op, opgericht)
    • stichten Verb (sticht, stichtte, stichtten, gesticht)
    • instellen Verb (stel in, stelt in, stelde in, stelden in, ingesteld)
    • invoeren Verb (voer in, voert in, voerde in, voerden in, ingevoerd)
  2. establecer (colonizar; fundar)
    koloniseren; vestigen; settelen
    • koloniseren Verb (koloniseer, koloniseert, koloniseerde, koloniseerden, gekoloniseerd)
    • vestigen Verb (vestig, vestigt, vestigde, vestigden, gevestigd)
    • settelen Verb (settel, settelt, settelde, settelden, gesetteld)
  3. establecer (nombrar; instalar; crear; formar)
    aanstellen; benoemen; installeren
    • aanstellen Verb (stel aan, stelt aan, stelde aan, stelden aan, aangesteld)
    • benoemen Verb (benoem, benoemt, benoemde, benoemden, benoemd)
    • installeren Verb (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
  4. establecer (construir; crear; edificar; )
    bouwen; construeren
    • bouwen Verb (bouw, bouwt, bouwde, bouwden, gebouwd)
    • construeren Verb (construeer, construeert, construeerde, construeerden, geconstrueerd)
  5. establecer (iniciar; acondicionar; implantar; )
  6. establecer (arreglar; montar; instalar; )
    installeren; inrichten
    • installeren Verb (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
    • inrichten Verb (richt in, richtte in, richtten in, ingericht)
  7. establecer (erguir; erigir; incorporar)
    oprichten; optrekken; overeindzetten
    • oprichten Verb (richt op, richtte op, richtten op, opgericht)
    • optrekken Verb (trek op, trekt op, trok op, trokken op, opgetrokken)
    • overeindzetten Verb (zet overeind, zette overeind, zetten overeind, overeind gezet)
  8. establecer (montar; arreglar; organizar; )
    regelen; arrangeren; iets op touw zetten
  9. establecer (determinar; comprobar; fijar; )
    vaststellen; determineren; bepalen
    • vaststellen Verb (stel vast, stelt vast, stelde vast, stelden vast, vastgesteld)
    • determineren Verb (determineer, determineert, determineerde, determineerden, gedetermineerd)
    • bepalen Verb (bepaal, bepaalt, bepaalde, bepaalden, bepaalt)
  10. establecer (colocar; ubicar; situar; )
    plaats toekennen; plaatsen

Conjugations for establecer:

presente
  1. establezco
  2. estableces
  3. establece
  4. establecemos
  5. establecéis
  6. establecen
imperfecto
  1. establecía
  2. establecías
  3. establecía
  4. establecíamos
  5. establecíais
  6. establecían
indefinido
  1. establecí
  2. estableciste
  3. estableció
  4. establecimos
  5. establecisteis
  6. establecieron
fut. de ind.
  1. estableceré
  2. establecerás
  3. establecerá
  4. estableceremos
  5. estableceréis
  6. establecerán
condic.
  1. establecería
  2. establecerías
  3. establecería
  4. estableceríamos
  5. estableceríais
  6. establecerían
pres. de subj.
  1. que establezca
  2. que establezcas
  3. que establezca
  4. que establezcamos
  5. que establezcáis
  6. que establezcan
imp. de subj.
  1. que estableciera
  2. que establecieras
  3. que estableciera
  4. que estableciéramos
  5. que establecierais
  6. que establecieran
miscelánea
  1. ¡establece!
  2. ¡estableced!
  3. ¡no establezcas!
  4. ¡no establezcáis!
  5. establecido
  6. estableciendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "establecer":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:


Remove Ads

Remove Ads