Remove Ads

Spanisch

Detailübersetzungen für engañar von Spanische ins Niederländisch

engañar:

engañar Verb

  1. engañar (defraudar; dar el pego; timar; embaucar; estafar)
    afzetten; misleiden; bedriegen; besodemieteren; zwendelen; oplichten; beduvelen; belazeren; bedonderen
    • afzetten Verb (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • misleiden Verb (misleid, misleidt, misleidde, misleidden, misleid)
    • bedriegen Verb (bedrieg, bedriegt, bedroog, bedrogen, bedrogen)
    • besodemieteren Verb (besodemieter, besodemietert, besodemieterde, besodemieterden, besodemieterd)
    • zwendelen Verb (zwendel, zwendelt, zwendelde, zwendelden, gezwendeld)
    • oplichten Verb (licht op, lichtte op, lichtten op, opgelicht)
    • beduvelen Verb (beduvel, beduvelt, beduvelde, beduvelden, beduveld)
    • belazeren Verb (belazer, belazert, belazerde, belazerden, belazerd)
    • bedonderen Verb (bedonder, bedondert, bedonderde, bedonderden, bedonderd)
  2. engañar (joder; estafar; mentir; )
    afzetten; bedotten; tillen
    • afzetten Verb (zet af, zette af, zetten af, afgezet)
    • bedotten Verb (bedot, bedotte, bedotten, bedot)
    • tillen Verb (til, tilt, tilde, tilden, getild)
  3. engañar (destronar; joder; tomar el pelo; )
    verneuken
    • verneuken Verb (verneuk, verneukt, verneukte, verneukten, verneukt)
  4. engañar (afligir; hacer un broma; incordiar; )
    in de maling nemen; voor de gek houden; foppen; te pakken nemen
  5. engañar (tomar el pelo)
    wijsmaken
    • wijsmaken Verb (maak wijs, maakt wijs, maakte wijs, maakten wijs, wijs gemaakt)
  6. engañar (agarrar; coger; trabar; )
    grijpen; beetgrijpen; vastgrijpen; beetnemen; beetpakken; aanpakken; vatten; vastpakken; vastnemen
    • grijpen Verb (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • vastgrijpen Verb (grijp vast, grijpt vast, greep vast, grepen vast, vastgegrepen)
    • beetnemen Verb (neem beet, neemt beet, nam beet, namen beet, beetgenomen)
    • beetpakken Verb (pak beet, pakt beet, pakte beet, pakten beet, beetgepakt)
    • aanpakken Verb (pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
    • vatten Verb (vat, vatte, vatten, gevat)
    • vastpakken Verb (pak vast, pakt vast, pakte vast, pakten vast, vastgepakt)
    • vastnemen Verb (neem vast, neemt vast, nam vast, namen vast, vastgenomen)
  7. engañar
    misleiden; op een dwaalspoor zetten; om de tuin leiden
  8. engañar (quedar defraudado; defraudar)
    afzetten; oplichten; flessen; bedrogen worden
  9. engañar (capturar; pescar; tomar en posesión; )
    buitmaken; vangen
    • buitmaken Verb (maak buit, maakt buit, maakte buit, maakten buit, buitgemaakt)
    • vangen Verb (vang, vangt, ving, vingen, gevangen)

Conjugations for engañar:

presente
  1. engaño
  2. engañas
  3. engaña
  4. engañamos
  5. engañáis
  6. engañan
imperfecto
  1. engañaba
  2. engañabas
  3. engañaba
  4. engañábamos
  5. engañabais
  6. engañaban
indefinido
  1. engañé
  2. engañaste
  3. engañó
  4. engañamos
  5. engañasteis
  6. engañaron
fut. de ind.
  1. engañaré
  2. engañarás
  3. engañará
  4. engañaremos
  5. engañaréis
  6. engañarán
condic.
  1. engañaría
  2. engañarías
  3. engañaría
  4. engañaríamos
  5. engañaríais
  6. engañarían
pres. de subj.
  1. que engañe
  2. que engañes
  3. que engañe
  4. que engañemos
  5. que engañéis
  6. que engañen
imp. de subj.
  1. que engañara
  2. que engañaras
  3. que engañara
  4. que engañáramos
  5. que engañarais
  6. que engañaran
miscelánea
  1. ¡engaña!
  2. ¡engañad!
  3. ¡no engañes!
  4. ¡no engañéis!
  5. engañado
  6. engañando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "engañar":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:


Remove Ads

Remove Ads