Remove Ads

Spanisch

Detailübersetzungen für encender von Spanische ins Niederländisch

encender:

encender Verb

  1. encender (aprender; estudiar; comenzar; )
    leren; verwerven; opsteken; aanleren; oppikken; eigen maken
    • leren Verb (leer, leert, leerde, leerden, geleerd)
    • verwerven Verb (verwerf, verwerft, verwierf, verwierven, verworven)
    • opsteken Verb (steek op, steekt op, stak op, staken op, opgestoken)
    • aanleren Verb (leer aan, leert aan, leerde aan, leerden aan, aangeleerd)
    • oppikken Verb (pik op, pikt op, pikte op, pikten op, opgepikt)
  2. encender (prender fuego a; incendiar)
    aansteken; ontsteken; vuur maken; doen branden
  3. encender (motivar; incitar; animar; )
    stimuleren; aanmoedigen; prikkelen; iemand motiveren
    • stimuleren Verb (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • aanmoedigen Verb (moedig aan, moedigt aan, moedigde aan, moedigden aan, aangemoedigd)
    • prikkelen Verb (prikkel, prikkelt, prikkelde, prikkelden, geprikkeld)
  4. encender (poner en marcha; poner)
    inschakelen; aandoen; aandraaien
    • inschakelen Verb (schakel in, schakelt in, schakelde in, schakelden in, ingeschakeld)
    • aandoen Verb (doe aan, doet aan, deed aan, deden aan, aangedaan)
    • aandraaien Verb (draai aan, draait aan, draaide aan, draaiden aan, aangedraaid)
  5. encender (incitar; excitar; atizar; )
    aanzetten; opfokken; opruien; poken; ophitsen; opstoken; opjutten; aanwakkeren; aanstoken
    • aanzetten Verb (zet aan, zette aan, zetten aan, aangezet)
    • opfokken Verb (fok op, fokt op, fokte op, fokten op, opgefokt)
    • opruien Verb (rui op, ruit op, ruide op, ruiden op, opgeruid)
    • poken Verb
    • ophitsen Verb (hits op, hitst op, hitste op, hitsten op, opgehitst)
    • opstoken Verb (stook op, stookt op, stookte op, stookten op, opgestookt)
    • opjutten Verb (jut op, jutte op, jutten op, opgejut)
    • aanwakkeren Verb (wakker aan, wakkert aan, wakkerde aan, wakkerden aan, aangewakkerd)
    • aanstoken Verb (stook aan, stookt aan, stookte aan, stookten aan, aangestookt)
  6. encender
    aansteken; aanmaken
    • aansteken Verb (steek aan, steekt aan, stak aan, staken aan, aangestoken)
    • aanmaken Verb (maak aan, maakt aan, maakte aan, maakten aan, aangemaakt)
  7. encender (motivar; alentar; levantar; )
    motiveren
    • motiveren Verb (motiveer, motiveert, motiveerde, motiveerden, gemotiveerd)
  8. encender (instigar; excitar; estimular; )
    aanzetten tot; provoceren; instigeren
    • provoceren Verb (provoceer, provoceert, provoceerde, provoceerden, geprovoceerd)
    • instigeren Verb (instigeer, instigeert, instigeerde, instigeerden, geïnstigeerd)
  9. encender (alzar; incendiar; levantar; comenzar)
    aansteken; in de fik steken
    • aansteken Verb (steek aan, steekt aan, stak aan, staken aan, aangestoken)
    • in de fik steken Verb (steek in de fik, steekt in de fik, stak in de fik, staken in de fik, in de fik gestoken)
  10. encender (prender la luz; ecender las luces)
    ontsteken; licht aansteken; aanmaken
    • ontsteken Verb (ontsteek, ontsteekt, ontstak, ontstaken, ontstoken)
    • aanmaken Verb (maak aan, maakt aan, maakte aan, maakten aan, aangemaakt)
  11. encender (incendiar)
    vuurmaken
    • vuurmaken Verb (maak vuur, maakt vuur, maakte vuur, maakten vuur, vuur gemaakt)

Conjugations for encender:

presente
  1. enciendo
  2. enciendes
  3. enciende
  4. encendemos
  5. encendéis
  6. encienden
imperfecto
  1. encendía
  2. encendías
  3. encendía
  4. encendíamos
  5. encendíais
  6. encendían
indefinido
  1. encendí
  2. encendiste
  3. encendió
  4. encendimos
  5. encendisteis
  6. encendieron
fut. de ind.
  1. encenderé
  2. encenderás
  3. encenderá
  4. encenderemos
  5. encenderéis
  6. encenderán
condic.
  1. encendería
  2. encenderías
  3. encendería
  4. encenderíamos
  5. encenderíais
  6. encenderían
pres. de subj.
  1. que encienda
  2. que enciendas
  3. que encienda
  4. que encendamos
  5. que encendáis
  6. que enciendan
imp. de subj.
  1. que encendiera
  2. que encendieras
  3. que encendiera
  4. que encendiéramos
  5. que encendierais
  6. que encendieran
miscelánea
  1. ¡enciende!
  2. ¡encended!
  3. ¡no enciendas!
  4. ¡no encendáis!
  5. encendido
  6. encendiendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "encender":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for encender



Remove Ads

Remove Ads