Remove Ads

Spanisch

Detailübersetzungen für charla von Spanische ins Niederländisch

charla:

charla [la ~] Nomen

  1. la charla (cháchara; murmuraciones; chisme; )
    de klap; de roddels; de roddelpraat; de roddel; de praatjes; de achterklap; het geroddel; het geklets; geklep; de klets; het geklap
  2. la charla (conversación; diálogo; discusión)
    het gesprek; de conversatie
  3. la charla (conversación; discusión)
    het gesprek; mondeling onderhoud
  4. la charla (diálogo; conversación)
    de dialoog; de samenspraak; het tweegesprek; de tweespraak
  5. la charla (habla; habladuría; conversación; )
    de praat
  6. la charla (chismes; rumor; charlas; )
    de kwaadsprekerij; de lastering; de roddel; de achterklap; het geroddel; de roddelpraat; de laster; het lasterpraatje; zwartmaken
  7. la charla (chismes; cháchara; plática; )
    de kout; het babbeltje; de praatje; het gekeuvel
  8. la charla (chisme)
    het gepraat; het geroddel
  9. la charla (cartero; repartidor; mensajero)
    de postbode; de bezorger; de brievenbesteller; de besteller; de bode
  10. la charla (interviú; entrevista; conversación; )
    het interview; het vraaggesprek
  11. la charla (comadrería; palabrería; chisme)
    het gepraat; het gebabbel; gekout
  12. la charla (chachara; habladurías; cachuchazo; )
    het gekeuvel; het geklets; het gebabbel; het gekwebbel
  13. la charla (habladurías; charlas; chismes; )
    de praatje; stof tot gepraat; de klap; het gepraat
  14. la charla (plática; conversación)
    de causerie; het babbeltje; de praatje; het gebabbel
  15. la charla (charloteo; cháchara; parloteo; )
    de prietpraat
  16. la charla (alocución; introducción; prefacio; )
    het voorwoord; de inleiding; de proloog; de introductie; het voorbericht

Synonyms for "charla":


charlar:

charlar Verb

  1. charlar (conversar; hablar)
    praten; spreken; converseren
    • praten Verb (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • spreken Verb
    • converseren Verb (converseer, converseert, converseerde, converseerden, geconverseerd)
  2. charlar (parlotear; cacarear; parlanchinear; )
    kletsen; babbelen; ratelen; kwebbelen
    • kletsen Verb (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • babbelen Verb (babbel, babbelt, babbelde, babbelden, gebabbeld)
    • ratelen Verb (ratel, ratelt, ratelde, ratelden, gerateld)
    • kwebbelen Verb (kwebbel, kwebbelt, kwebbelde, kwebbelden, gekwebbeld)
  3. charlar (hablar)
    spreken; praten; in contact staan; een conversatie hebben; communiceren
    • spreken Verb
    • praten Verb (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • in contact staan Verb (sta in contact, staat in contact, stond in contact, stonden in contact, in contact gestaan)
    • een conversatie hebben Verb (heb een conversatie, hebt een conversatie, heeft een conversatie, had een conversatie, hadden een conversatie, een conversatie gehad)
    • communiceren Verb (communiceer, communiceert, communiceerde, communiceerden, gecommuniceerd)
  4. charlar (hablar por hablar; cotorrear; chacharear; )
    keuvelen
    • keuvelen Verb (keuvel, keuvelt, keuvelde, keuvelden, gekeuveld)
  5. charlar (hablar; conversar; parlar)
    praten; kouten; kwekken
    • praten Verb (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • kouten Verb (kout, koutte, koutten, gekout)
    • kwekken Verb (kwek, kwekt, kwekte, kwekten, gekwekt)
  6. charlar (decir tonterías; delirar; cascar; )
    raaskallen; kletsen; onzin verkopen; ijlen; wartaal spreken; onzin uitkramen
  7. charlar (echar un páraffo; echar una paraffada)
    bomen; een boom opzetten
  8. charlar (chacharear; desvariar; parlanchinear; )
    lullen; zwammen; zwetsen; kletspraat verkopen; zeveren
    • lullen Verb (lul, lult, lulde, lulden, geluld)
    • zwammen Verb (zwam, zwamt, zwamde, zwamden, gezwamd)
    • zwetsen Verb (zwets, zwetst, zwetste, zwetsten, gezwetst)
    • zeveren Verb (zever, zevert, zeverde, zeverden, gezeverd)
  9. charlar (cotorrear; parlotear)
    leuteren
    • leuteren Verb (leuter, leutert, leuterde, leuterden, geleuterd)
  10. charlar (chinchar; dar la tabarra; quejarse; cotorrear; parlotear)
    etteren; zeiken; klieren; griepen
    • etteren Verb (etter, ettert, etterde, etterden, geëtterd)
    • zeiken Verb (zeik, zeikt, zeek, zeken, gezeken)
    • klieren Verb (klier, kliert, klierde, klierden, geklierd)
    • griepen Verb
  11. charlar

Conjugations for charlar:

presente
  1. charlo
  2. charlas
  3. charla
  4. charlamos
  5. charláis
  6. charlan
imperfecto
  1. charlaba
  2. charlabas
  3. charlaba
  4. charlábamos
  5. charlabais
  6. charlaban
indefinido
  1. charlé
  2. charlaste
  3. charló
  4. charlamos
  5. charlasteis
  6. charlaron
fut. de ind.
  1. charlaré
  2. charlarás
  3. charlará
  4. charlaremos
  5. charlaréis
  6. charlarán
condic.
  1. charlaría
  2. charlarías
  3. charlaría
  4. charlaríamos
  5. charlaríais
  6. charlarían
pres. de subj.
  1. que charle
  2. que charles
  3. que charle
  4. que charlemos
  5. que charléis
  6. que charlen
imp. de subj.
  1. que charlara
  2. que charlaras
  3. que charlara
  4. que charláramos
  5. que charlarais
  6. que charlaran
miscelánea
  1. ¡charla!
  2. ¡charlad!
  3. ¡no charles!
  4. ¡no charléis!
  5. charlado
  6. charlando
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "charlar":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for charla



Remove Ads

Remove Ads