Detailübersetzungen für perceive von Englische ins Niederländisch
perceive:
-
waarnemen;
zien;
observeren;
bekijken;
gewaarworden;
gadeslaan;
merken;
horen;
signaleren;
voelen
-
waarnemen
Verb
(neem waar, neemt waar, nam waar, namen waar, waargenomen)
-
zien
Verb
(zie, ziet, zag, zagen, gezien)
-
observeren
Verb
(observeer, observeert, observeerde, observeerden, geobserveerd)
-
bekijken
Verb
(bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
-
gewaarworden
Verb
(word gewaar, wordt gewaar, werd gewaar, werden gewaar, gewaargeworden)
-
gadeslaan
Verb
(sla gade, slaat gade, sloeg gade, sloegen gade, gade geslagen)
-
merken
Verb
(merk, merkt, merkte, merkten, gemerkt)
-
horen
Verb
(hoor, hoort, hoorde, hoorden, gehoord)
-
signaleren
Verb
(signaleer, signaleert, signaleerde, signaleerden, gesignaleerd)
-
voelen
Verb
(voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
-
zien;
opmerken;
kijken;
bekijken;
onderscheiden;
aanschouwen;
ontwaren;
turen;
staren
-
zien
Verb
(zie, ziet, zag, zagen, gezien)
-
opmerken
Verb
(merk op, merkt op, merkte op, merkten op, opgemerkt)
-
kijken
Verb
(kijk, kijkt, keek, keken, gekeken)
-
bekijken
Verb
(bekijk, bekijkt, bekeek, bekeken, bekeken)
-
onderscheiden
Verb
(onderscheid, onderscheidt, onderscheidde, onderscheidden, onderscheiden)
-
aanschouwen
Verb
(aanschouw, aanschouwt, aanschouwde, aanschouwden, aanschouwen)
-
ontwaren
Verb
(ontwaar, ontwaart, ontwaarde, ontwaarden, ontwaard)
-
turen
Verb
(tuur, tuurt, tuurde, tuurden, getuurd)
-
staren
Verb
(staar, staart, staarde, staarden, gestaard)
-
zien;
voelen;
waarnemen;
gewaarworden;
bemerken;
ontwaren;
merken;
bespeuren
-
zien
Verb
(zie, ziet, zag, zagen, gezien)
-
voelen
Verb
(voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
-
waarnemen
Verb
(neem waar, neemt waar, nam waar, namen waar, waargenomen)
-
gewaarworden
Verb
(word gewaar, wordt gewaar, werd gewaar, werden gewaar, gewaargeworden)
-
bemerken
Verb
(bemerk, bemerkt, bemerkte, bemerkten, bemerkt)
-
ontwaren
Verb
(ontwaar, ontwaart, ontwaarde, ontwaarden, ontwaard)
-
merken
Verb
(merk, merkt, merkte, merkten, gemerkt)
-
bespeuren
Verb
(bespeur, bespeurt, bespeurde, bespeurden, bespeurd)
-
-
onderscheiden;
gewaarworden;
ontwaren;
te zien krijgen
-
onderscheiden
Verb
(onderscheid, onderscheidt, onderscheidde, onderscheidden, onderscheiden)
-
gewaarworden
Verb
(word gewaar, wordt gewaar, werd gewaar, werden gewaar, gewaargeworden)
-
ontwaren
Verb
(ontwaar, ontwaart, ontwaarde, ontwaarden, ontwaard)
-
Conjugations for perceive:
present
- perceive
- perceive
- perceives
- perceive
- perceive
- perceive
simple past
- perceived
- perceived
- perceived
- perceived
- perceived
- perceived
present perfect
- have perceived
- have perceived
- has perceived
- have perceived
- have perceived
- have perceived
past continuous
- was perceiving
- were perceiving
- was perceiving
- were perceiving
- were perceiving
- were perceiving
future
- shall perceive
- will perceive
- will perceive
- shall perceive
- will perceive
- will perceive
continuous present
- am perceiving
- are perceiving
- is perceiving
- are perceiving
- are perceiving
- are perceiving
subjunctive
- be perceived
- be perceived
- be perceived
- be perceived
- be perceived
- be perceived
diverse
- perceive!
- let's perceive!
- perceived
- perceiving
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they
Related Words for "perceive":
Synonyms for "perceive":
Related Definitions for "perceive":
-
become conscious of1
-
to become aware of through the senses1
Computerübersetzung von Drittern:
Images: