Detailübersetzungen für left von Englische ins Niederländisch
left:
Related Words for "left":
Synonyms for "left":
Antonyms for "left":
Related Definitions for "left":
-
not used up1
-
intended for the left hand1
-
of or belonging to the political or intellectual left1
-
being or located on or directed toward the side of the body to the west when facing north1
-
toward or on the left; also used figuratively1
-
a turn toward the side of the body that is on the north when the person is facing east1
-
the piece of ground in the outfield on the catcher's left1
-
the hand that is on the left side of the body1
-
those who support varying degrees of social or political or economic change designed to promote the public welfare1
-
location near or direction toward the left side; i.e. the side to the north when a person or object faces east1
leave:
-
– the period of time during which you are absent from work or duty
1
de vakantie
– periode waarin je vrij hebt van school of werk
2
-
-
– go away from a place
1
vertrekken;
verlaten;
heengaan
-
vertrekken
Verb
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
verlaten
Verb
(verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
-
heengaan
Verb
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
gaan;
vertrekken;
weggaan;
heengaan;
opstappen;
opbreken
-
gaan
Verb
(ga, gaat, ging, gingen, gegaan)
-
vertrekken
Verb
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
weggaan
Verb
(ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
-
heengaan
Verb
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
opstappen
Verb
(stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
-
opbreken
Verb
(breek op, breekt op, brak op, braken op, opgebroken)
-
-
verlaten;
afreizen;
wegtrekken;
heengaan;
verdwijnen;
wegreizen
-
verlaten
Verb
(verlaat, verliet, verlieten, verlaten)
-
afreizen
Verb
(reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
-
wegtrekken
Verb
(trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
-
heengaan
Verb
(ga heen, gaat heen, ging heen, gingen heen, heengegaan)
-
verdwijnen
Verb
(verdwijn, verdwijnt, verdween, verdwenen, verdwenen)
-
wegreizen
Verb
(reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
-
vertrekken;
weggaan;
verwijderen;
wegtrekken;
smeren;
afreizen;
opstappen;
wegreizen
-
vertrekken
Verb
(vertrek, vertrekt, vertrok, vertrokken, vertrokken)
-
weggaan
Verb
(ga weg, gaat weg, ging weg, gingen weg, weggegaan)
-
verwijderen
Verb
(verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
-
wegtrekken
Verb
(trek weg, trekt weg, trok weg, trokken weg, weggetrokken)
-
smeren
Verb
(smeer, smeert, smeerde, smeerden, gesmeerd)
-
afreizen
Verb
(reis af, reist af, reisde af, reisden af, afgereisd)
-
opstappen
Verb
(stap op, stapt op, stapte op, stapten op, opgestapt)
-
wegreizen
Verb
(reis weg, reist weg, reisde weg, reisden weg, weggereisd)
-
to leave
-
to leave
-
afvaren;
afsteken;
wegvaren
-
afvaren
Verb
(vaar af, vaart af, voer af, voeren af, afgevaren)
-
afsteken
Verb
(steek af, steekt af, stak af, staken af, afgestoken)
-
wegvaren
Verb
(vaar weg, vaart weg, voer weg, voeren weg, weggevaren)
-
bestellen;
brengen;
afgeven;
bezorgen;
afleveren;
thuisbezorgen;
overhandigen
-
bestellen
Verb
(bestel, bestelt, bestelde, bestelden, besteld)
-
brengen
Verb
(breng, brengt, bracht, brachten, gebracht)
-
afgeven
Verb
(geef af, geeft af, gaf af, gaven af, afgegeven)
-
bezorgen
Verb
(bezorg, bezorgt, bezorgde, bezorgden, bezorgd)
-
afleveren
Verb
(lever af, levert af, leverde af, leverden af, afgeleverd)
-
thuisbezorgen
Verb
(bezorg thuis, bezorgt thuis, bezorgde thuis, bezorgden thuis, thuisbezorgd)
-
overhandigen
Verb
(overhandig, overhandigt, overhandigde, overhandigden, overhandigd)
-
– move out of or depart from
1
uitgaan
-
uitgaan
Verb
(ga uit, gaat uit, ging uit, gingen uit, uitgegaan)
Conjugations for leave:
present
- leave
- leave
- leaves
- leave
- leave
- leave
simple past
- left
- left
- left
- left
- left
- left
present perfect
- have left
- have left
- has left
- have left
- have left
- have left
past continuous
- was leaving
- were leaving
- was leaving
- were leaving
- were leaving
- were leaving
future
- shall leave
- will leave
- will leave
- shall leave
- will leave
- will leave
continuous present
- am leaving
- are leaving
- is leaving
- are leaving
- are leaving
- are leaving
subjunctive
- be left
- be left
- be left
- be left
- be left
- be left
diverse
- leave!
- let's leave!
- left
- leaving
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they
Related Words for "leave":
Synonyms for "leave":
Antonyms for "leave":
Related Definitions for "leave":
-
the act of departing politely1
-
permission to do something1
-
the period of time during which you are absent from work or duty1
-
leave unchanged or undisturbed or refrain from taking1
-
be survived by after one's death1
-
leave behind unintentionally1
-
go and leave behind, either intentionally or by neglect or forgetfulness1
-
go away from a place1
-
move out of or depart from1
-
leave or give by will after one's death1
-
transmit (knowledge or skills)1
-
put into the care or protection of someone1
-
remove oneself from an association with or participation in1
-
have as a result or residue1
-
make a possibility or provide opportunity for; permit to be attainable or cause to remain1
-
act or be so as to become in a specified state1
-
have left or have as a remainder1
Computerübersetzung von Drittern:
Images:
Related Translations for left