Remove Ads

Deutsch

Detailübersetzungen für ziehen von Deutsche ins Niederländisch

ziehen:

ziehen Verb (ziehe, ziehst, zieht, zog, zogt, gezogen)

  1. ziehen (reißen; zerren)
    trekken; rukken
    • trekken Verb (trek, trekt, trok, trokken, getrokken)
    • rukken Verb (ruk, rukt, rukte, rukten, gerukt)
  2. ziehen
    tochten
    • tochten Verb (tocht, tochtt, tochtte, tochtten, getocht)
  3. ziehen
    slepen
    • slepen Verb (sleep, sleept, sleepte, sleepten, geslepen)
  4. ziehen
    trekken
    • trekken Verb (trek, trekt, trok, trokken, getrokken)
  5. ziehen (züchten; fortpflanzen; hervorbringen)
    kweken; fokken; opfokken
    • kweken Verb (kweek, kweekt, kweekte, kweekten, gekweekt)
    • fokken Verb (fok, fokt, fokte, fokten, gefokt)
    • opfokken Verb (fok op, fokt op, fokte op, fokten op, opgefokt)
  6. ziehen (entlehnen; leihen; entnehmen; )
    ontlenen; lenen
    • ontlenen Verb (ontleen, ontleent, ontleende, ontleenden, ontleend)
    • lenen Verb (leen, leent, leende, leenden, geleend)
  7. ziehen (aufziehen; hissen; hochziehen)
  8. ziehen (züchten; erzeugen; kultivieren; )
    kweken; fokken; voortbrengen; genereren; verbouwen; procreëren; planten; telen; aankweken; aanplanten; opkweken
    • kweken Verb (kweek, kweekt, kweekte, kweekten, gekweekt)
    • fokken Verb (fok, fokt, fokte, fokten, gefokt)
    • voortbrengen Verb (breng voort, brengt voort, bracht voort, brachten voort, voortgebracht)
    • genereren Verb (genereer, genereert, genereerde, genereerden, gegenereerd)
    • verbouwen Verb (verbouw, verbouwt, verbouwde, verbouwden, verbouwd)
    • planten Verb (plant, plantte, plantten, geplant)
    • telen Verb (teel, teelt, teelde, teelden, geteeld)
    • aankweken Verb (kweek aan, kweekt aan, kweekte aan, kweekten aan, aangekweekt)
    • aanplanten Verb (plant aan, plantte aan, plantten aan, aangeplant)
    • opkweken Verb (kweek op, kweekt op, kweekte op, kweekten op, opgekweekt)
  9. ziehen (schleppen; zerren; fortziehen)
    sleuren
    • sleuren Verb (sleur, sleurt, sleurde, sleurden, gesleurd)
  10. ziehen (etwas abholen; holen; abholen; )
  11. ziehen (einschnupfen; schnauben; schnüffeln; )
    opsnuiven; een snuif nemen; snuiven; insnuiven
    • opsnuiven Verb (snuif op, snuift op, snoof op, snoven op, opgesnoven)
    • snuiven Verb (snuif, snuift, snoof, snoven, gesnoven)
    • insnuiven Verb (snuif in, snuift in, snoof in, snoven in, ingesnoven)

Conjugations for ziehen:

Präsens
  1. ziehe
  2. ziehst
  3. zieht
  4. ziehen
  5. zieht
  6. ziehen
Imperfekt
  1. zog
  2. zogst
  3. zog
  4. zogen
  5. zogt
  6. zogen
Perfekt
  1. habe gezogen
  2. hast gezogen
  3. hat gezogen
  4. haben gezogen
  5. habt gezogen
  6. haben gezogen
1. Konjunktiv [1]
  1. ziehe
  2. ziehest
  3. ziehe
  4. ziehen
  5. ziehet
  6. ziehen
2. Konjunktiv
  1. zöge
  2. zögest
  3. zöge
  4. zögen
  5. zöget
  6. zögen
Futur 1
  1. werde ziehen
  2. wirst ziehen
  3. wird ziehen
  4. werden ziehen
  5. werdet ziehen
  6. werden ziehen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde ziehen
  2. würdest ziehen
  3. würde ziehen
  4. würden ziehen
  5. würdet ziehen
  6. würden ziehen
Diverses
  1. zieh!
  2. zieht!
  3. ziehen Sie!
  4. gezogen
  5. ziehend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "ziehen":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for ziehen



Remove Ads

Remove Ads