Deutsch
Detailübersetzungen für vermengen von Deutsche ins Niederländisch
vermengen:
-
vermengen (mischen; mengen; vermischen; anrühren)
-
vermengen (durcheinandergeraten; schlingern)
door elkaar halen; in de war maken-
door elkaar halen Verb (haal door elkaar, haalt door elkaar, haalde door elkaar, haalden door elkaar, door elkaar gehaald)
-
in de war maken Verb (maak in de war, maakt in de war, maakte in de war, maakten in de war, in de war gemaakt)
-
Conjugations for vermengen:
Präsens
- vermenge
- vermengst
- vermengt
- vermengen
- vermengt
- vermengen
Imperfekt
- vermengte
- vermengtest
- vermengte
- vermengten
- vermengtet
- vermengten
Perfekt
- habe vermengt
- hast vermengt
- hat vermengt
- haben vermengt
- habt vermengt
- haben vermengt
1. Konjunktiv [1]
- vermenge
- vermengest
- vermenge
- vermengen
- vermenget
- vermengen
2. Konjunktiv
- vermengte
- vermengtest
- vermengte
- vermengten
- vermengtet
- vermengten
Futur 1
- werde vermengen
- wirst vermengen
- wird vermengen
- werden vermengen
- werdet vermengen
- werden vermengen
1. Konjunktiv [2]
- würde vermengen
- würdest vermengen
- würde vermengen
- würden vermengen
- würdet vermengen
- würden vermengen
Diverses
- vermeng!
- vermengt!
- vermengen Sie!
- vermengt
- vermengend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie
Synonyms for "vermengen":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: