Remove Ads

Deutsch

Detailübersetzungen für trennen von Deutsche ins Niederländisch

trennen:

trennen Verb (trenne, trennst, trennt, trennte, trenntet, getrennt)

  1. trennen (losmachen; lösen; auflösen; )
    losmaken; scheiden; loskrijgen; detacheren; loswerken
    • losmaken Verb (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • loskrijgen Verb (krijg los, krijgt los, kreeg los, kregen los, losgekregen)
    • detacheren Verb (detacheer, detacheert, detacheerde, detacheerden, gedetacheerd)
    • loswerken Verb
  2. trennen (auseinandergehen; scheiden; auflösen; auseinanderstieben; auseinandertreiben)
    uit elkaar gaan; scheiden; uiteengaan; van elkaar gaan
    • uit elkaar gaan Verb (ga uit elkaar, gaat uit elkaar, ging uit elkaar, gingen uit elkaar, uit elkaar gegaan)
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • uiteengaan Verb (ga uiteen, gaat uiteen, ging uiteen, gingen uiteen, uiteengegaan)
    • van elkaar gaan Verb (ga van elkaar, gaat van elkaar, ging van elkaar, gingen van elkaar, gingen van elkaat)
  3. trennen (scheiden)
    scheiden; uit elkaar gaan
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • uit elkaar gaan Verb (ga uit elkaar, gaat uit elkaar, ging uit elkaar, gingen uit elkaar, uit elkaar gegaan)
  4. trennen (aufgliedern; teilen; aufteilen; )
    splitsen; delen; opsplitsen; opdelen
    • splitsen Verb (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)
    • delen Verb (deel, deelt, deelde, deelden, gedeeld)
    • opsplitsen Verb (splits op, splitst op, splitste op, splitsten op, opgesplitst)
    • opdelen Verb (deel op, deelt op, deelde op, deelden op, opgedeeld)
  5. trennen (separieren; scheiden; absondern; abspalten)
    scheiden; afscheiden; splitsen; afzonderen; separeren; afsplitsen
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • afscheiden Verb (scheid af, scheidt af, scheidde af, scheidden af, afgescheiden)
    • splitsen Verb (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)
    • afzonderen Verb (zonder af, zondert af, zonderde af, zonderden af, afgezonderd)
    • separeren Verb (separeer, separeert, separeerde, separeerden, gesepareerd)
    • afsplitsen Verb (splits af, splitst af, splitste af, splitsten af, afgesplitst)
  6. trennen (aus einander spleißen; scheiden; splissen; )
    splitsen; scheiden; uitsplitsen; uiteengaan; loskoppelen; uit elkaar halen
    • splitsen Verb (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • uitsplitsen Verb (splits uit, splitst uit, splitste uit, splitsten uit, uitgesplitst)
    • uiteengaan Verb (ga uiteen, gaat uiteen, ging uiteen, gingen uiteen, uiteengegaan)
    • loskoppelen Verb (koppel los, koppelt los, koppelde los, koppelden los, losgekoppeld)
    • uit elkaar halen Verb (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
  7. trennen (auflösen; auseinanderfallen; zerfallen; )
    uiteenvallen; desintegreren; uit elkaar vallen
    • uiteenvallen Verb (val uiteen, valt uiteen, viel uiteen, vielen uiteen, uiteengevallen)
    • uit elkaar vallen Verb (val uit elkaar, valt uit elkaar, viel uit elkaar, vielen uit elkaar, uit elkaar gevallen)
  8. trennen (auflösen; abbrechen; entbinden; )
    beëindigen; afbreken; ontbinden; opheffen; verbreken; stukmaken; verbrijzelen; forceren
    • beëindigen Verb (beëindig, beëindigt, beëindigde, beëindigden, beëindigd)
    • afbreken Verb (breek af, breekt af, brak af, braken af, afgebroken)
    • ontbinden Verb (ontbind, ontbindt, ontbond, ontbonden, ontbonden)
    • opheffen Verb (hef op, heft op, hief op, hieven op, opgeheven)
    • verbreken Verb (verbreek, verbreekt, verbrak, verbraken, verbroken)
    • stukmaken Verb (maak stuk, maakt stuk, maakte stuk, maakten stuk, stukgemaakt)
    • verbrijzelen Verb (verbrijzel, verbrijzelt, verbrijzelde, verbrijzelden, verbrijzeld)
    • forceren Verb (forceer, forceert, forceerde, forceerden, geforceerd)
  9. trennen (entwirren; aussuchen; heraussuchen; )
    uitzoeken; ontwarren; uitpluizen; ontraadselen; uitrafelen; uitvezelen; ontrafelen
    • uitzoeken Verb (zoek uit, zoekt uit, zocht uit, zochten uit, uitgezocht)
    • ontwarren Verb (ontwar, ontwart, ontwarde, ontwarden, ontward)
    • uitpluizen Verb (pluis uit, pluist uit, ploos uit, plozen uit, uitgeplozen)
    • ontraadselen Verb (ontraadsel, ontraadselt, ontraadselde, ontraadselden, ontraadseld)
    • uitrafelen Verb (rafel uit, rafelt uit, rafelde uit, rafelden uit, uitgerafeld)
    • uitvezelen Verb (vezel uit, vezelt uit, vezelde uit, vezelden uit, uitgevezeld)
    • ontrafelen Verb (ontrafel, ontrafelt, ontrafelde, ontrafelden, ontrafeld)
  10. trennen (absondern; isolieren; separieren; abtrennen; aussondern)
    afscheiden; afzonderen; isoleren; afsplitsen
    • afscheiden Verb (scheid af, scheidt af, scheidde af, scheidden af, afgescheiden)
    • afzonderen Verb (zonder af, zondert af, zonderde af, zonderden af, afgezonderd)
    • isoleren Verb (isoleer, isoleert, isoleerde, isoleerden, geïsoleerd)
    • afsplitsen Verb (splits af, splitst af, splitste af, splitsten af, afgesplitst)
  11. trennen (entwirren; scheiden; entknoten; )
    uit elkaar halen; uit de war halen; ontrafelen; ontwarren
    • uit elkaar halen Verb (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • ontrafelen Verb (ontrafel, ontrafelt, ontrafelde, ontrafelden, ontrafeld)
    • ontwarren Verb (ontwar, ontwart, ontwarde, ontwarden, ontward)
  12. trennen (teilen; scheiden; zerlegen; )
    scheiden; splitsen; uit elkaar halen; uiteenhalen
    • scheiden Verb (scheid, scheidt, scheidde, scheidden, gescheiden)
    • splitsen Verb (splits, splitst, splitsde, splitsden, gesplitst)
    • uit elkaar halen Verb (haal uit elkaar, haalt uit elkaar, haalde uit elkaar, haalden uit elkaar, uit elkaar gehaald)
    • uiteenhalen Verb (haal uiteen, haalt uiteen, haalde uiteen, haalden uiteen, uiteengehaald)
  13. trennen
    loskoppelen
    • loskoppelen Verb (koppel los, koppelt los, koppelde los, koppelden los, losgekoppeld)
  14. trennen
    verwijderen
    • verwijderen Verb (verwijder, verwijdert, verwijderde, verwijderden, verwijderd)
  15. trennen
  16. trennen (Verknüpfung aufheben)
    ontkoppelen
    • ontkoppelen Verb (ontkoppel, ontkoppelt, ontkoppelde, ontkoppelden, ontkoppeld)
  17. trennen (lösen; loslösen)
    losmaken
    • losmaken Verb (maak los, maakt los, maakte los, maakten los, losgemaakt)

Conjugations for trennen:

Präsens
  1. trenne
  2. trennst
  3. trennt
  4. trennen
  5. trennt
  6. trennen
Imperfekt
  1. trennte
  2. trenntest
  3. trennte
  4. trennten
  5. trenntet
  6. trennten
Perfekt
  1. habe getrennt
  2. hast getrennt
  3. hat getrennt
  4. haben getrennt
  5. habt getrennt
  6. haben getrennt
1. Konjunktiv [1]
  1. trenne
  2. trennest
  3. trenne
  4. trennen
  5. trennet
  6. trennen
2. Konjunktiv
  1. trennte
  2. trenntest
  3. trennte
  4. trennten
  5. trenntet
  6. trennten
Futur 1
  1. werde trennen
  2. wirst trennen
  3. wird trennen
  4. werden trennen
  5. werdet trennen
  6. werden trennen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde trennen
  2. würdest trennen
  3. würde trennen
  4. würden trennen
  5. würdet trennen
  6. würden trennen
Diverses
  1. trenn!
  2. trennt!
  3. trennen Sie!
  4. getrennt
  5. trennend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "trennen":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for trennen



Remove Ads

Remove Ads