Remove Ads

Deutsch

Detailübersetzungen für reizen von Deutsche ins Niederländisch

reizen:

reizen Verb (reize, reizst, reizt, reizte, reiztet, gereizt)

  1. reizen (piesacken; ärgern; triezen; )
    uitdagen; pesten; plagen; treiteren; tarten; stangen; jennen; zieken; sarren; tergen
    • uitdagen Verb (daag uit, daagt uit, daagde uit, daagden uit, uitgedaagd)
    • pesten Verb (pest, pestte, pestten, gepest)
    • plagen Verb (plaag, plaagt, plaagde, plaagden, geplaagd)
    • treiteren Verb (treiter, treitert, treiterde, treiterden, getreiterd)
    • tarten Verb (tart, tartte, tartten, getart)
    • stangen Verb
    • jennen Verb (jen, jent, jende, jenden, gejend)
    • zieken Verb (ziek, ziekt, ziekte, ziekten, geziekt)
    • sarren Verb (sar, sart, sarde, sarden, sarde)
    • tergen Verb (terg, tergt, tergde, tergden, getergd)
  2. reizen (anregen; stimulieren; ermutigen; )
    opwekken; aansporen; stimuleren; aandrijven; prikkelen; opkrikken
    • opwekken Verb (wek op, wekt op, wekte op, wekten op, opgewekt)
    • aansporen Verb (spoor aan, spoort aan, spoorde aan, spoorden aan, aangespoord)
    • stimuleren Verb (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
    • aandrijven Verb (drijf aan, drijft aan, dreef aan, dreven aan, aangedreven)
    • prikkelen Verb (prikkel, prikkelt, prikkelde, prikkelden, geprikkeld)
    • opkrikken Verb (krik op, krikt op, krikte op, krikten op, opgekrikt)
  3. reizen (auf die Nerven gehen; ärgern; irritieren; )
    irriteren; op de zenuwen werken; ergeren
  4. reizen (betören; verführen; verzaubern; )
    bevallen; bekoren
    • bevallen Verb (beval, bevalt, beviel, bevielen, bevallen)
    • bekoren Verb (bekoor, bekoort, bekoorde, bekoorden, bekoord)
  5. reizen (prickeln; erregen; aufwinden; )
    opwinden; opwekken; prikkelen; stimuleren
    • opwinden Verb (wind op, windt op, wond op, wonden op, opgewonden)
    • opwekken Verb (wek op, wekt op, wekte op, wekten op, opgewekt)
    • prikkelen Verb (prikkel, prikkelt, prikkelde, prikkelden, geprikkeld)
    • stimuleren Verb (stimuleer, stimuleert, stimuleerde, stimuleerden, gestimuleerd)
  6. reizen (anreizen; herausfordern; herauslocken; )
    aanleiding geven tot; provoceren; uitlokken; ophitsen; uitdagen
    • aanleiding geven tot Verb (geef aanleiding tot, geeft aanleiding tot, gaf aanleiding tot, gaven aanleiding tot, aanleiding gegeven tot)
    • provoceren Verb (provoceer, provoceert, provoceerde, provoceerden, geprovoceerd)
    • uitlokken Verb (lok uit, lokt uit, lokte uit, lokten uit, uitgelokt)
    • ophitsen Verb (hits op, hitst op, hitste op, hitsten op, opgehitst)
    • uitdagen Verb (daag uit, daagt uit, daagde uit, daagden uit, uitgedaagd)
  7. reizen (erfreuen; freuen; verführen; )
    verheugd; verblijden; plezieren; in verrukking brengen; blij maken; verrukken
    • verheugd Verb
    • verblijden Verb (verblijd, verblijdt, verblijdde, verblijdden, verblijd)
    • plezieren Verb (plezier, pleziert, plezierde, plezierden, geplezierd)
    • in verrukking brengen Verb (breng in verrukking, brengt in verrukking, bracht in verrukking, brachten in verrukking, in verrukking gebracht)
    • blij maken Verb (maak blij, maakt blij, maakte blij, maakten blij, blij gemaakt)
    • verrukken Verb (verruk, verrukt, verrukte, verrukten, verrukt)

Conjugations for reizen:

Präsens
  1. reize
  2. reizst
  3. reizt
  4. reizen
  5. reizt
  6. reizen
Imperfekt
  1. reizte
  2. reiztest
  3. reizte
  4. reizten
  5. reiztet
  6. reizten
Perfekt
  1. habe gereizt
  2. hast gereizt
  3. hat gereizt
  4. haben gereizt
  5. habt gereizt
  6. haben gereizt
1. Konjunktiv [1]
  1. reize
  2. reizest
  3. reize
  4. reizen
  5. reizet
  6. reizen
2. Konjunktiv
  1. reizte
  2. reiztest
  3. reizte
  4. reizten
  5. reiztet
  6. reizten
Futur 1
  1. werde reizen
  2. wirst reizen
  3. wird reizen
  4. werden reizen
  5. werdet reizen
  6. werden reizen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde reizen
  2. würdest reizen
  3. würde reizen
  4. würden reizen
  5. würdet reizen
  6. würden reizen
Diverses
  1. reiz!
  2. reizt!
  3. reizen Sie!
  4. gereizt
  5. reizend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "reizen":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:


Remove Ads

Remove Ads