Inhalt
Deutsch nach Niederländisch: mehr Daten
-
erledigen:
- completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen; doen; uitvoeren; verrichten; handelen; uitrichten; wissen; uitwissen; wegvegen; uitvegen; vlakken; uitgommen; uitvlakken; doden; vermoorden; liquideren; van kant maken; doodmaken; doodslaan; ombrengen; vernietigen; vernielen; ruineren; slopen; afbreken; verwoesten; uit de weg ruimen; koudmaken; voor elkaar krijgen; fiksen; klaarspelen; executeren; doodvonnis uitvoeren; doodschieten; om het leven brengen
Deutsch
Detailübersetzungen für erledigen von Deutsche ins Niederländisch
erledigen:
-
erledigen (fertig bringen; abmachen)
completeren; voltooien; afronden; afmaken; beëindigen; afwerken; klaarmaken; volbrengen; volmaken; een einde maken aan; afkrijgen; klaarkrijgen-
een einde maken aan Verb (maak een einde aan, maakt een einde aan, maakte een einde aan, maakten een einde aan, een einde gemaakt aan)
-
erledigen (tun; verrichten; betreiben; treiben; ausrichten; erfüllen; schaffen; handeln; erreichen; vollziehen; leisten; ausüben; vornehmen; schütten)
-
erledigen (auslöschen; ausradieren; ausrotten; vertilgen; entvölkern)
-
erledigen (töten; ermorden; umbringen; fertigmachen)
doden; vermoorden; liquideren; van kant maken; doodmaken; afmaken; doodslaan; ombrengen-
van kant maken Verb (maak van kant, maakt van kant, maakte van kant, maakten van kant, van kant gemaakt)
-
erledigen (verwüsten; vernichten; zerstören; abbrechen; demolieren; ruinieren; verschrotten; abreißen; niederreißen; kaputtmachen; ausschalten; zehren; liquidieren; zerlegen; abtragen; zertrümmern; verheeren; abwracken; wegreißen; den Hals umdrehen; verderben; fertigmachen; umstossen; einstampfen)
-
erledigen (liquidieren; vernichten; töten; ausschalten)
liquideren; afmaken; uit de weg ruimen; koudmaken-
uit de weg ruimen Verb (ruim uit de weg, ruimt uit de weg, ruimde uit de weg, ruimden uit de weg, uit de weg geruimd)
-
koudmaken Verb
-
erledigen (zuendespielen; fertigstellen; fertigmachen; vollenden; beenden; vollbringen; fertigbringen)
-
erledigen (fusilieren; niederschießen; exekutieren; erschießen; erschiessen; ermorden; totschießen; umbringen; abschießen)
Conjugations for erledigen:
Präsens
- erledige
- erledigst
- erledigt
- erledigen
- erledigt
- erledigen
Imperfekt
- erledigte
- erledigtest
- erledigte
- erledigten
- erledigtet
- erledigten
Perfekt
- habe erledigt
- hast erledigt
- hat erledigt
- haben erledigt
- habt erledigt
- haben erledigt
1. Konjunktiv [1]
- erledige
- erledigest
- erledige
- erledigen
- erlediget
- erledigen
2. Konjunktiv
- erledigte
- erledigtest
- erledigte
- erledigten
- erledigtet
- erledigten
Futur 1
- werde erledigen
- wirst erledigen
- wird erledigen
- werden erledigen
- werdet erledigen
- werden erledigen
1. Konjunktiv [2]
- würde erledigen
- würdest erledigen
- würde erledigen
- würden erledigen
- würdet erledigen
- würden erledigen
Diverses
- erledig!
- erledigt!
- erledigen Sie!
- erledigt
- erledigend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie
Synonyms for "erledigen":
Computerübersetzung von Drittern:
Images: