Remove Ads

Deutsch

Detailübersetzungen für einsetzen von Deutsche ins Niederländisch

einsetzen:

einsetzen Verb (setze ein, setzt ein, setzte ein, setztet ein, eingesetzt)

  1. einsetzen (einführen; introduzieren; einleiten; anfangen; beginnen)
    voorstellen; introduceren; kennis laten maken
  2. einsetzen (Einsatz zeigen)
    inzetten; inzet tonen
  3. einsetzen (benutzen; gebrauchen; verwenden; )
    gebruiken; toepassen; aanwenden; benutten; aangrijpen
    • gebruiken Verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen Verb (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden Verb (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten Verb (benut, benutte, benutten, benut)
    • aangrijpen Verb (grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
  4. einsetzen (anfangen; beginnen; starten; aufnehmen; anheben)
    starten; beginnen; aanvangen; van start gaan
    • starten Verb (start, startte, startten, gestart)
    • beginnen Verb (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • aanvangen Verb (vang aan, vangt aan, ving aan, vingen aan, aangevangen)
  5. einsetzen (einstellen)
    aanstellen; benoemen; installeren
    • aanstellen Verb (stel aan, stelt aan, stelde aan, stelden aan, aangesteld)
    • benoemen Verb (benoem, benoemt, benoemde, benoemden, benoemd)
    • installeren Verb (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
  6. einsetzen (starten; beginnen; anfangen; )
    beginnen; op gang komen; inzetten; intreden
    • beginnen Verb (begin, begint, begon, begonnen, begonnen)
    • inzetten Verb (zet in, zette in, zetten in, ingezet)
    • intreden Verb (treed in, treedt in, trad in, traden in, ingetreden)
  7. einsetzen (gebrauchen; anwenden)
    gebruiken; toepassen; aanwenden; bezigen
    • gebruiken Verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen Verb (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden Verb (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • bezigen Verb (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  8. einsetzen (anwenden; gebrauchen; benutzen; )
    gebruiken; hanteren; gebruik maken van; bezigen
    • gebruiken Verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • hanteren Verb (hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
    • gebruik maken van Verb (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • bezigen Verb (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  9. einsetzen (verwetten; wetten)
    inzetten; wedden; verwedden
    • inzetten Verb (zet in, zette in, zetten in, ingezet)
    • wedden Verb (wed, wedt, wedde, wedden, gewed)
    • verwedden Verb (verwed, verwedt, verwedde, verwedden, verwed)
  10. einsetzen (einsegnen; inaugurieren)
    inaugureren; inwijden; plechtig bevestigen; inhuldigen
    • inaugureren Verb (inaugureer, inaugureert, inaugureerde, inaugureerden, geïnaugureerd)
    • inwijden Verb (wijd in, wijdt in, wijdde in, wijdden in, ingewijd)
    • inhuldigen Verb (huldig in, huldigt in, huldigde in, huldigden in, ingehuldigd)
  11. einsetzen (plazieren; stellen; postieren; )
    plaatsen; stationeren; posten; posteren
    • plaatsen Verb (plaats, plaatst, plaatste, plaatsten, geplaatst)
    • stationeren Verb (stationeer, stationeert, stationeerde, stationeerden, gestationeerd)
    • posten Verb (post, postte, postten, gepost)
    • posteren Verb (posteer, posteert, posteerde, posteerden, geposteerd)
  12. einsetzen (einrichten; installieren; errichten; )
    installeren; inrichten
    • installeren Verb (installeer, installeert, installeerde, installeerden, geïnstalleerd)
    • inrichten Verb (richt in, richtte in, richtten in, ingericht)
  13. einsetzen (einnieten)
    inklinken
    • inklinken Verb (klink in, klinkt in, klonk in, klonken in, ingeklonken)
  14. einsetzen (auf eine neue Fahrbar wechseln; einfügen; einschalten; )
    invoegen; overgaan op nieuwe rijbaan
  15. einsetzen (benennen; ernennen)
    benoemen; in functie aanstellen
  16. einsetzen (mobilisieren; setzen; anfangen; )
    mobiliseren
    • mobiliseren Verb (mobiliseer, mobiliseert, mobiliseerde, mobiliseerden, gemobiliseerd)
  17. einsetzen (dazwischen setzen; einfügen)
    tussen zetten
    • tussen zetten Verb (zet tussen, zette tussen, zetten tussen, tussen gezet)
  18. einsetzen (einstellen; eingeben; installieren; )
    instellen; afstemmen
    • instellen Verb (stel in, stelt in, stelde in, stelden in, ingesteld)
    • afstemmen Verb (stem af, stemt af, stemde af, stemden af, afgestemd)

Conjugations for einsetzen:

Präsens
  1. setze ein
  2. setzt ein
  3. setzt ein
  4. setzen ein
  5. setzt ein
  6. setzen ein
Imperfekt
  1. setzte ein
  2. setztest ein
  3. setzte ein
  4. setzten ein
  5. setztet ein
  6. setzten ein
Perfekt
  1. habe eingesetzt
  2. hast eingesetzt
  3. hat eingesetzt
  4. haben eingesetzt
  5. habt eingesetzt
  6. haben eingesetzt
1. Konjunktiv [1]
  1. setze ein
  2. setzest ein
  3. setze ein
  4. setzen ein
  5. setzet ein
  6. setzen ein
2. Konjunktiv
  1. setzte ein
  2. setztest ein
  3. setzte ein
  4. setzten ein
  5. setztet ein
  6. setzten ein
Futur 1
  1. werde einsetzen
  2. wirst einsetzen
  3. wird einsetzen
  4. werden einsetzen
  5. werdet einsetzen
  6. werden einsetzen
1. Konjunktiv [2]
  1. würde einsetzen
  2. würdest einsetzen
  3. würde einsetzen
  4. würden einsetzen
  5. würdet einsetzen
  6. würden einsetzen
Diverses
  1. setz ein!
  2. setzt ein!
  3. setzen Sie ein!
  4. eingesetzt
  5. einsetzend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "einsetzen":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for einsetzen



Remove Ads

Remove Ads