Remove Ads

Deutsch

Detailübersetzungen für ausdrücken von Deutsche ins Niederländisch

ausdrücken:

ausdrücken Verb (drücke aus, drückst aus, drückt aus, drückte aus, drücktet aus, ausgedrückt)

  1. ausdrücken (in Worte fassen; mitteilen; sich aus drücken)
    uiten; uitdrukken; verwoorden; uiting geven aan; uitdrukking geven aan; vertolken
    • uiten Verb (uit, uitte, uitten, geuit)
    • uitdrukken Verb (druk uit, drukt uit, drukte uit, drukten uit, uitgedrukt)
    • verwoorden Verb (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • uitdrukking geven aan Verb (geef uitdrukking aan, geeft uitdrukking aan, gaf uitdrukking aan, gaven uitdrukking aan, uitdrukking gegeven aan)
    • vertolken Verb (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  2. ausdrücken (darstellen; wiedergeben)
    verpersonificeren; uitbeelden; verbeelden; vertolken
    • uitbeelden Verb (beeld uit, beeldt uit, beeldde uit, beeldden uit, uitgebeeld)
    • verbeelden Verb (verbeeld, verbeeldt, verbeeldde, verbeeldden, verbeeld)
    • vertolken Verb (vertolk, vertolkt, vertolkte, vertolkten, vertolkt)
  3. ausdrücken (formulieren; verbalisieren; in Worte fassen)
    verwoorden; verbaliseren; formuleren
    • verwoorden Verb (verwoord, verwoordt, verwoordde, verwoordden, verwoord)
    • verbaliseren Verb (verbaliseer, verbaliseert, verbaliseerde, verbaliseerden, verbaliseerd)
    • formuleren Verb (formuleer, formuleert, formuleerde, formuleerden, geformuleerd)
  4. ausdrücken (sprechen; klatschen; babbeln; )
    spreken; wauwelen; praten; babbelen; kwebbelen; kletsen; zwammen; kakelen; kwetteren; klappen; kwekken; snateren
    • spreken Verb
    • wauwelen Verb (wauwel, wauwelt, wauwelde, wauwelden, gewauweld)
    • praten Verb (praat, praatte, praatten, gepraat)
    • babbelen Verb (babbel, babbelt, babbelde, babbelden, gebabbeld)
    • kwebbelen Verb (kwebbel, kwebbelt, kwebbelde, kwebbelden, gekwebbeld)
    • kletsen Verb (klets, kletst, kletste, kletsten, gekletst)
    • zwammen Verb (zwam, zwamt, zwamde, zwamden, gezwamd)
    • kakelen Verb (kakel, kakelt, kakelde, kakelden, gekakeld)
    • kwetteren Verb (kwetter, kwettert, kwetterde, kwetterden, gekwetterd)
    • klappen Verb (klap, klapt, klapte, klapten, geklapt)
    • kwekken Verb (kwek, kwekt, kwekte, kwekten, gekwekt)
    • snateren Verb (snater, snatert, snaterde, snaterden, gesnaterd)
  5. ausdrücken (ausquetschen; auspressen)
    uitdrukken; uitknijpen; leegknijpen
    • uitdrukken Verb (druk uit, drukt uit, drukte uit, drukten uit, uitgedrukt)
    • uitknijpen Verb (knijp uit, knijpt uit, kneep uit, knepen uit, uitgeknepen)
  6. ausdrücken (bekunden; zum Ausdruck bringen)
    tot uitdrukking brengen
    • tot uitdrukking brengen Verb (breng tot uitdrukking, brengt tot uitdrukking, bracht tot uitdrukking, brachten tot uitdrukking, tot uitdrukking gebracht)
  7. ausdrücken (formulieren; in Worte fassen)
    fraseren
    • fraseren Verb (fraseer, fraseert, fraseerde, fraseerden, gefraseerd)
  8. ausdrücken (formulieren; in Worte fassen)
    formuleren; in een formule brengen
  9. ausdrücken (auspressen; pressen; quetschen)
    persen; leegknijpen; uitpersen
    • persen Verb (pers, perst, perste, persten, geperst)
    • uitpersen Verb (pers uit, perst uit, perste uit, persten uit, uitgeperst)

Conjugations for ausdrücken:

Präsens
  1. drücke aus
  2. drückst aus
  3. drückt aus
  4. drücken aus
  5. drückt aus
  6. drücken aus
Imperfekt
  1. drückte aus
  2. drücktest aus
  3. drückte aus
  4. drückten aus
  5. drücktet aus
  6. drückten aus
Perfekt
  1. habe ausgedrückt
  2. hast ausgedrückt
  3. hat ausgedrückt
  4. haben ausgedrückt
  5. habt ausgedrückt
  6. haben ausgedrückt
1. Konjunktiv [1]
  1. drücke aus
  2. drückest aus
  3. drücke aus
  4. drücken aus
  5. drücket aus
  6. drücken aus
2. Konjunktiv
  1. drückte aus
  2. drücktest aus
  3. drückte aus
  4. drückten aus
  5. drücktet aus
  6. drückten aus
Futur 1
  1. werde ausdrücken
  2. wirst ausdrücken
  3. wird ausdrücken
  4. werden ausdrücken
  5. werdet ausdrücken
  6. werden ausdrücken
1. Konjunktiv [2]
  1. würde ausdrücken
  2. würdest ausdrücken
  3. würde ausdrücken
  4. würden ausdrücken
  5. würdet ausdrücken
  6. würden ausdrücken
Diverses
  1. drück aus!
  2. drückt aus!
  3. drücken Sie aus!
  4. ausgedrückt
  5. ausdrückend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "ausdrücken":


Computerübersetzung von Drittern:
Images:

Related Translations for ausdrücken



Remove Ads

Remove Ads